Gods Heilige Naam

In 1962 schreef een zekere J.B. in het tijdschrift Onze Taal een artikel over `nette en onnette woorden'. Het interessantste aan dit stuk is de noot die de redactie eronder heeft gezet: ,,Ondanks herhaald aandringen van de redactie was de heer B. niet bereid om voorbeelden te geven.''

Curieus: een stuk van anderhalve pagina over nette en onnette woorden, zonder één onnet woord te noemen.

Kennelijk hing het onderwerp in de lucht, want datzelfde jaar verscheen bij de katholieke uitgeverij Paul Brand een boekje getiteld Nette en onnette woorden, met een interessante taalkundige bijdrage van prof. dr. J.A. Huisman.

Huisman wordt wél concreet. Zeer concreet zelfs en dat is opmerkelijk, want zoals we gezien hebben zijn er – met name in protestantse kring – allerlei publicaties over godslastering en onnette woorden verschenen die nalaten om man en paard te noemen. Wél jeremiëren dat vloeken en schelden een nationale volkssport is geworden, maar niet zeggen om welke woorden het gaat.

Kon de bijdrage van Huisman zonder slag of stoot verschijnen? Nee, dat ook weer niet. Huisman had zijn stuk in 1960 geschreven voor Dux, een `Tijdschrift voor priesters, die zich met de vorming der R.K. rijpende jeugd bezighouden'. De redactie had het stuk geaccepteerd, maar ,,in verband met de goede naam van de drukkerij'' weigerde de drukker de opdracht. ,,Herhaalde vertogen van de redactie mochten niet baten'', aldus Huisman.

In kort bestek noemt Huisman onnette taal uit allerlei domeinen. Hij merkt op dat we de meeste onnette woorden tegenkomen op het gebied van de primaire levensverrichtingen, zoals eten, drinken, seksueel verkeer, uitscheiding van afvalstoffen, ziekte, dood en verdoemenis. Hij noemt woorden als klootzak, lullig, ouwehoer, poten, pens, pruim, pik, piel en lul, we lezen over poepen, vreten, zuipen, ruften en zeiken, over flikker, ouwe lul, ouwehoeren en klerelijer, ja zelfs over neuken, naaien en kut. Hoewel Huisman deze woorden steeds omringt met keurige formuleringen (,,Wie in gezelschap meedeelt, dat hij naar het schijthuis moet, kan er nauwelijks op rekenen, een gesoigneerde indruk te maken''), is de kans groot dat sommige lezers zijn stuk indertijd met rode oortjes hebben gelezen.

Huisman gaat ook in op ,,het oneerbiedig gebruiken van Gods Heilige Naam''. Opmerkelijk is dat hij uitdrukkingen als God bewaar me!, God zal me liefhebben! en Jezus Christus! slechts ,,krachttermen in de spreeksituatie noemt''. Hij vindt ze daarmee een ,,dimensie lichter dan de eigenlijke vloeken en godslasteringen''. Zoals we hebben gezien denken veel protestanten daar nog altijd anders over, dus toen zeker!

Een van de grofste onnette woorden die Huisman noemt – ik herhaal: in 1962, in een katholieke, stichtelijke publicatie – is schapenneuker. We hebben hier een directe voorganger te pakken van geitenneuker, een woord dat inmiddels de wereldpers heeft gehaald. Ik heb al een paar keer gelezen dat Theo van Gogh geitenneuker zou hebben bedacht, maar dat is onzin: we komen het al veel eerder bij Gerard Reve tegen.

Volgens Huisman vloekten strenggelovige protestanten duidelijk minder vaak dan katholieken. Dit verschil is vaker gesignaleerd, ook in de protestantse literatuur. Zo schreef J.W. Nooteboom in 1930 in het boekje Overheid en godslastering dat rooms-katholieken ,,tal van stopwoorden'' gebruiken ,,die onder ons als vloeken worden beschouwd''. Helaas geeft ook Nooteboom geen voorbeelden.

Sinds wanneer de protestanten concreter zijn geworden in deze discussie, is mij niet bekend. Ik vermoed pas in de jaren tachtig, toen d'r geen houen meer aan was.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl.