Geen gevoel voor verhoudingen

Je leest zulke dingen nogal eens over de oorlog, en wie ze voor het eerst leest is er misschien zelfs een beetje door geschokt: dat in 1942, bijvoorbeeld, er mensen in Polen waren die met hun gezin naar het zwembad gingen en daarna thee dronken in de tuin; mensen in Duitsland die een mooi etentje organiseerden voor vrienden; een gezin in Breda dat de verjaardag van een kind vierde met taartjes en slingers. Terwijl ondertussen. Bombardementen, doden, martelingen, honger en angst.

Dat het in de oorlog ook wel gezellig was, hoor je oudere mensen vertellen, 's avonds bij elkaar onder die ene lamp een spelletje doen of zitten lezen, niet ieder in zijn eigen kamer achter de computer. Je moet eraan wennen, aan het toch voor de hand liggende inzicht dat het gewone leven doorgaat, ook als er in de buitenwereld van alles gaande is. Iemand zit in een cel, een ander zit bij het haardvuur. Er is een avondklok, er zijn bezetters, er worden mensen weggevoerd en vermoord, en een jongen huilt om zijn vriendinnetje dat het uitgemaakt heeft, een man vloekt om de schroef die scheef is gaan zitten en nu niet meer links- of rechtsom wil, een vrouw windt zich op over een opmerking van een vriendin. Bestaat er dan geen gevoel voor verhoudingen? Zijn sommige dingen dan niet veel belangrijker dan andere?

Dezer dagen kun je geen krant opendoen zonder het gevoel te krijgen dat er een nieuwe oorlog, maar dan anders, is uitgebroken. Er lijkt nog maar één onderwerp te zijn dat ertoe doet: onze verhouding tot de islam, de islamitische kijk op de westerse wereld. De griezeligste onzin wordt geciteerd en de koude schrik slaat je om het hart: stel je voor dat het geen onzin blijkt, stel je voor dat deze gekken de macht, die ze willen bezitten, ook werkelijk verkrijgen wat dan? Internet is natuurlijk een rijke bron van slecht geformuleerde en (dus) slecht doordachte ideeën, die er op neer komen dat de laatste dagen aangebroken zijn of anders toch naderen van iedereen die anders `denkt' noem het maar denken dan de onder pseudoniem opererende schrijvers. Er bestaat naar het schijnt een probleem, zó groot dat je bijna niet meer weet hoe je ergens anders over zou kunnen praten of schrijven.

Als je de krant leest of naar de televisie kijkt, word je soms door het schaamtevolle besef bekropen dat je alwéér een hele dag niet aan de islam hebt gedacht. Of niet aan de dodelijke dreiging die godsdiensten vormen. Dat je je verheugt op de zojuist verschenen preken van de middeleeuwse mysticus Johannes Tauler, met vrienden discussieert over de vraag of functionele verklaringen over het onthouden dan wel vergeten van iets wel houdbaar zijn, dat je je druk maakt over de hoogte van een plank in een kast, geniet van de kleischollen op een grijze akker, overvallen wordt door een golf van dankbaarheid omdat je ouders nog leven, ineens dolgraag alle vormen aan een dertiende-eeuwse kerk zou willen kunnen benoemen. Pathetisch lijkt het allemaal, als je dan weer een reportage leest, in Vrij Nederland, over geheel door Turken en Marokkanen bewoonde wijken waar vaders klagen over de geringe kansen voor hun zonen; goed opgeleiden over hoe moeilijk het is om een woning in een andere wijk te krijgen en waar een meisje tegen de verslaggeefster zegt dat ze eigenlijk nooit Nederlanders spreekt en daar ontwapenend aan toevoegt: ,,Daarom vind ik het ook zo apart om nu met u te praten.'' Ach god, wat zijn we aan het doen, waarom kunnen we niet gewoon met elkaar leven.

Tegelijkertijd weet ik eigenlijk wel zeker dat er iets helemaal niet goed is als de gewone dingen onbelangrijk gaan lijken. Die zijn namelijk niet onbelangrijk. Ja in het licht van een veel groter perspectief misschien wel. En soms is het wel nuttig om je boven het eigen leven te verheffen en anders tegen de wereld aan te kijken, alsof je overzicht zou hebben, over eeuwen kon praten alsof het minuten waren, alsof theorie en werkelijkheid ongescheiden zouden zijn. Soms moet dat. En in het licht van die grotere eenheden, visies en theorieën zijn allerlei dingen, allerlei zorgen en ergernissen, grappen en intimiteiten heel onbelangrijk. Maar we moeten ons niet vergissen: alleen in dat perspectief. In het dagelijkse, daar waar we leven doet bijna alles ertoe. Soms tot gek makens toe. Altijd maar weer denk ik aan dat gedicht van Wislawa Szymborska waarvan de laatste strofe luidt:

Boven me fladdert een witte vlinder in de lucht

met vleugeltjes die alleen van hem zijn

en over mijn handen vliegt zijn schaduw,

geen andere, niet zomaar een, alleen de zijne.

Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid

dat wat belangrijk is

belangrijker is dan wat onbelangrijk is.

Daarmee is dat opgelost het onbelangrijke is niet onbelangrijker dan het belangrijke – althans niet steeds. Maar hoe krijg je dan orde, samenhang, hiërarchie, greep op de dingen? Dat is het verwarrende van die kloof die gaapt tussen de dagelijksheid en de wereld van het nieuws en de actualiteit. Onmachtig sta je aan de kant en lacht en huilt en gaapt en ruziet om niets dan onzin, en noemt dat leven, en de wereld raast door en je merkt er niets van totdat je de krant leest, de televisie aanzet en dan ga je vrezen dat dat, dáár, het echte is, het ware, waaraan je niet deelneemt, en waarover je onophoudelijk zou moeten denken wilde je écht leven.

Maar die mensen in Polen en Breda, in 1942, met hun partijtjes en hun thee, die hebben ook geleefd. Echt. Die moesten toch ook hun dagen doorkomen. Nee, dit is geen pleidooi voor kop in het zand. Het is misschien een vraag, de vraag naar verhoudingen. Of misschien is het een overtuiging: de overtuiging van het belang van wanverhoudingen.