Franse film beter af

Nederlanders en Fransen uit de filmwereld spraken met elkaar in Parijs. ,,Bij Nederlandse films denk je vooral aan documentaires.''

Waarom zijn er zo weinig Nederlandse films in de Franse bioscopen? Of beter gezegd: sinds De Noorderlingen (1992) van Alex van Warmerdam en De man met de hond (1998) van Annette Apon helemaal géén?

Over deze en andere vragen ging het afgelopen weekend in Parijs tijdens het colloquium Erasmus/Descartes over `De economische uitdaging van cultuur', georganiseerd door het Institut Néerlandais. Het werd een aardig wedstrijdje pingpongen tussen vertegenwoordigers van de Franse en de Nederlandse filmwereld. Eindstand: 2-0 voor Frankrijk.

Economie is in de mode. Cultuur en economie is zelfs het stokpaardje van de huidige staatsecretaris van Cultuur Medy van der Laan. In Frankrijk zou het ondenkbaar zijn dat de overheid zoals in Nederland het mecenaat zou promoten om onder de eigen verantwoordelijkheid uit te komen, betoogde Jacques Rigaud, directeur van de Admical, een vereniging voor de ontwikkeling van het industriële en commerciële mecenaat.

Maar er zijn meer maatregelen die geld uit de markt naar de filmwereld kunnen halen. Nederland heeft de cv-maatregel, Frankrijk beschikt al sinds 1960 over `L'avance sur recette', waarbij een percentage van alle recette-inkomsten in Frankrijk terugvloeit in een fonds voor beginnende en uitdagende filmmakers, gemiddeld zo'n 50 producties per jaar. Ook kent het land de regeling Unifrance waarbij Franse films die in het buitenland worden gedistribueerd financieel worden ondersteund. Een regeling waar Claudia Landsberger van Holland Film jaloers op is.

Beide regels kennen geen onderscheid tussen artistieke en commerciële films, al leert de praktijk dat vooral de artistieke film, dankzij een zorgvuldig geformuleerd stel regels, en het allesoverheersende Franse culturele bewustzijn, ervan profiteert. Daarom ook worden deze maatregelen in Europa niet als concurrentievervalsend ervaren: ze gelden als cultuurbeleid en niet als economisch beleid.

Maar hoe zat het nu met de Nederlandse film, waarom is die, behoudens enkele documentaires en kortfilms en een enkele festivalvertoning, niet in de Franse theaters te zien? Toine Berbers, directeur van Filmfonds: ,,Misschien kent Nederland wel gewoon niet zoveel goede filmauteurs als Frankrijk.''

Isabelle Dueult van het Nordic Film Festival uit Rouen, gespecialiseerd in Noord-Europese: ,,Als je denkt aan de Nederlandse filmindustrie, dan denk je voornamelijk aan de documentaire. Films die vanuit een marketinggedachte voor een bepaalde doelgroep worden gemaakt, zoals de typisch Nederlandse familiefilms, hebben we zelf al in Frankrijk. En het heeft ook met modes en het ontbreken van een gezicht te maken, een cineast die staat voor een nationale filmcultuur. Zo iemand heeft Nederland op dit moment niet.''