Detroit Cobras: arrogant, kort

Een `cooler' ogende rockchick als Rachel Nagy zullen we dit seizoen niet op de Nederlandse podia aantreffen. Het haar is bijna lichtgevend blond, de mouwen van het vestje zijn precies zover opgerold dat de tatouages op haar armen goed zichtbaar zijn.

Met een flesje bier in haar linkerhand en een sigaret in haar rechterhand is het imago compleet. En `thank you' klinkt uit haar mond, met die sigaret in de hoek, wellicht niet al te gemeend maar wel erg sexy. De kauwgum ontbreekt er maar aan.

The Detroit Cobras vertegenwoordigen de wat toegankelijkere kant van de garagerockscene van de stad uit de groepsnaam. Ze zijn zich zozeer bewust van het feit dat Detroit niet alleen de stad is van MC 5, Iggy Pop en Ted Nugent maar ook en vooral van Motown, dat ze op hun platen vooral covers uit de zwarte muziek zetten, liefst een beetje obscuur.Live komt deze aanpak levendiger over dan op de leuke, maar wat gladgeproduceerde laatste cd Baby.

Dat heeft als groot bijkomend voordeel dat Nagy ook als zangeres beter tot haar recht komt, ook al omdat ze dan ineens een stuk minder klinkt als Chrissie Hynde van The Pretenders. Uit haar mond klinken ook de meest onbekende nummers, of het eigen schrijfsel Hot Dog (Watch Me Eat), als geheide hits, waarvan je zou zweren dat je ze afgelopen week nog ergens gehoord hebt.

Aan de achtergrondzang komen alle overige bandleden te pas, waarbij bassist en gitarist zich om dezelfde microfoon verdringen: een fraai jaren-zestig-beatgroep-moment.

Toch zouden zulke oe-hoe-koortjes met een zuiverder toonvorming beslist beter tot hun recht komen. Bezwaarlijker voor het inlevingsvermogen is de afstandelijkheid, die mee het gevolg is van Nagy's arrogante podiumpersoonlijkheid, plus het feit dat de band al na veertig minuten de kleedkamer dreigt op te zoeken. Maar na een minuut of tien gejoel vanuit de opmerkelijk volle zaal zit er zelfs een tweede reeks toegiften in.

Concert: Detroit Cobras. Gehoord: 28/11, Vera Groningen.