Buik op driehoog

Het hout van de wielerbaan was hier en daar dichtgesmeerd met siliconenkit. Van die gladde smurrie waarmee je het leven verlengt van een lekkende badkuip. Gangmaker Joop Zijlaard kon er niet over uit. Hij moest er afgelopen week – in zijn geval zes dagen lang – met de derny overheen, zelfs als hij `driehoog' reed. Hij voelde zijn achterwiel af en toe wegslippen. Maar verder hoor je de onderkoning van de zesdaagse niet klagen, hij wordt in Het Kuipke van Gent op handen gedragen.

De dernykoers is de circusact van de zesdaagse. In het heetst van de strijd rijden de derny's met een wielrenner in hun kielzog niet meer achter elkaar, nee, boven elkaar. Driedik door de bocht. Gent heeft een van de kleinste wielerbanen van Europa. Van een recht stuk is nauwelijks sprake.

Zijlaard wordt gekoppeld aan de ervaren Gilmore, zijn vader reed vroeger ook zesdaagsen. Dat span gaat die race natuurlijk winnen, dat weten de kenners. Gilmore heeft een formidabele kattenrug en een witte huid die bij baanfietsen hoort. In de pauze poetsen masseurs achter een gordijntje vergeefs, de kleur van bloed toont zich niet aan de oppervlakte.

De derny's rijden hoog in de baan. Zijlaard vertrekt geen spier terwijl hij met zijn lichaamsgewicht, scheefhangend in de bocht, de wetten van de natuur met voeten lijkt te treden. Langzaam trappen de benen mee op de motor terwijl de breedhangende buik voor een adembenemend vacuüm achter de rug zorgt. En precies daar, in de mobiele baarmoeder van de zesdaagse, nestelt zich het ranke lijf van Gilmore.

Ieder rondje vang ik de blik van Zijlaard. Stalen smoel. Meesterlijke acteerprestatie. Hij rijdt voorlopig op de laatste plaats, met Gilmore bijna klevend aan het spatbord. Vlak voor Zijlaard rijdt landgenoot Bruno Walrave op de derny. Walrave is de zestig ruim gepasseerd, ik bespeur dezelfde lijnen in het gezicht als bij de gitarist van The Stones. Walrave is zo mager als een lat. Met iedere ronde raak ik er meer van overtuigd dat Bruno zijn ogen dicht heeft. Zeventig kilometer per uur en Bruno doet een hazeslaapje.

`Aanval Gilmore!'

Daar komt Zijlaard met zijn renner. De rug van Gilmore staat gespannen als een boog. Het gaspedaal van de derny gaat verder open, het lawaai neemt toe. Zijlaard maakt van zijn hand een toetertje en roept iets naar zijn renner. Hij rijdt dubbeldik en bindt de strijd aan met nummer één. Het Kuipke vult zich met uitlaatgassen. Het publiek schreeuwt de mannen naar voren.

Maar wat is dat? Zijlaard houdt in. Hij en Gilmore moeten een paar plaatsen terug. Zo lijkt het. Het is al decennia lang hetzelfde en toch stinken we er steeds weer in. Natuurlijk winnen ze uiteindelijk de race.

Het Kuipke stroomt leeg. Het is na twaalven. Ik sta in de buitenlucht. Gent bij daglicht lijkt me een illusie. Midden in de nacht speel ik met vrienden tafelvoetbal in een kroeg. Vaardig tik ik de afgekloven ballen in het hok. Balorig roepen we om een aanval van Gilmore en Zijlaard.

Om half vier neem ik een taxi naar een chambre d'amis. In een uitgaansstraat waar de sluitingstijdenwet geen vat op heeft, worden we opgehouden door een vrachtwagen. De chauffeur hangt al sturend uit zijn raam. Weer zo'n kerel die energie haalt uit maneschijn. Ik zie in Gent alleen maar mannen van de nacht.

Tollend van de alcohol draai ik even later mijn rondjes in bed. Voor mijn ogen verschijnt een boterzachte buik op motorbanden. Zijlaard! Mag ik heel even Gilmore zijn? Ik drijf in het vacuüm waar wind niet bestaat. Zijlaard en ik, we draaien, draaien, draaien. Heren coureurs, nog tien ronden. We draaien, draaien, draaien.

Ik snuif nog één keer de benzinedamp op en leg het dan af tegen de slaap.