Zware jongens die Romeinen

Zeventig jaar geleden verscheen I, Claudius, misschien wel de beste roman over de Romeinse oudheid. Aanleiding genoeg voor Pieter Steinz om deel 42 van zijn serie over thema's in de wereldliteratuur te wijden aan het historische meesterwerk van Robert Graves.

Wat de Kennedy's waren voor de twintigste eeuw en de Borgia's voor de Renaissance, was het Julisch-Claudische huis voor de Romeinse keizertijd: een even machtige als beruchte dynastie die de pennen van generaties schrijvers in beweging bracht. Historici als Tacitus en Suetonius, en romanciers van Petronius tot Alan Massie, hadden dan ook heel wat om over te schrijven; in de eerste decennia van onze jaartelling maakten de familieleden van keizer Augustus zich schuldig aan iedere misdaad die te bedenken viel – van sadisme tot bigamie, van vraatzucht tot lustmoord, van incest tot matricide.

Televisiekijkers van boven de veertig zullen zich de details van deze keizerlijke uitspattingen herinneren dankzij de Britse serie I, Claudius, die aan het eind van de jaren zeventig ook in Nederland werd uitgezonden. De dertien afleveringen, gebaseerd op de Claudius-romans van Robert Graves (1895-1985), maakten zoveel indruk dat menigeen bij het horen van de naam Caligula zal denken aan de hysterische lachsalvo's van John Hurt, en bij de naam Claudius aan het hinkepoten en het stotteren van Derek Jacobi. Als we Jacobi mogen geloven wordt hij nog steeds regelmatig op straat begroet met een hartelijk `Hi, C-C-C-Claudius' of `P-p-poisoned?'

Voor Robert Graves, destijds in de tachtig, betekende het tv-succes opnieuw een bestseller; hij had I, Claudius (1934) en Claudius the God (1943) net als zijn andere historische romans geschreven om zijn core business, het schrijven van poëzie, te kunnen bekostigen. Niet dat hij de klassieke oudheid niet serieus nam! Graves was een achterneef van de grote Duitse historicus Leopold von Ranke, hij studeerde Latijn en Grieks in Oxford en hij bekwaamde zich al jong in het vertalen van de Romeinse geschiedschrijvers. Twintig jaar na I, Claudius publiceerde hij in Penguin Classics zijn vertaling van het werk van Suetonius, dat te lezen is als het ruwe materiaal waarop Graves zijn roman over keizer Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus (10 v.Chr.–54 na Chr.) baseerde.

I, Claudius wordt gepresenteerd als een autobiografie; de ikfiguur vertelt meteen aan het begin, anno 41 na Christus, dat hij dit boek niet heeft geschreven voor zijn tijdgenoten, maar voor het verre nageslacht. Een oude zieneres had hem in het jaar 31 voorspeld dat hij over tien jaar keizer van het Romeinse Rijk zou zijn, én dat `Clau-Clau-Clau' over 1900 jaar zonder stotteren tot de wereld zal spreken. Dat een nuchter mens als Claudius aan dit orakel waarde hecht, komt doordat hij ook niet had kunnen denken dat hij tot het keizerschap zou worden geroepen. De manke Claudius, een stiefneefje van Augustus, is door zijn familie nooit voor vol aangezien, hoewel hij al jong blijk gaf van een goed verstand en een wetenschappelijke aanleg. In de jaren waarin Augustus' vrouw Livia door roeien en ruiten ging om haar zoon Tiberius op de troon te zetten – ze moordde het halve Julische huis uit – was Claudius' positie wel zo veilig. Als de idioot van de familie overleefde hij niet alleen de complotten van Livia, maar ook de achterdocht van zijn oom Tiberius en de meedogenloze wispelturigheid van zijn achterneef Caligula.

Het knappe van Graves' romans is niet alleen dat ze van een historische figuur een mens van vlees en bloed maken – Claudius is wijs, grappig en toch vreemd (Romeins!) genoeg om overtuigend te zijn – maar ook dat ze erin zijn geslaagd het beeld van Claudius in de historische beeldvorming te kantelen. Tot in de jaren dertig volgde iedere kenner van de oudheid het negatieve oordeel van Tacitus en Seneca (schrijver van de satire De verpompoening van Claudius) over de zogenaamd incompetente, door zijn vrouwen en vrijgelatenen geregeerde keizer. Sinds I, Claudius en Claudius the God, zo lijkt het, hebben zelfs historici meer oog gekregen voor de goede kanten van Claudius: zijn daadkracht als bestuurder, zijn respect voor andere en oude culturen, zijn beschavingswerk in het door hem veroverde Brittannië. Maar eigenlijk is dat voor de lezer van fictie allemaal bijzaak: die kan gewoon genieten van een moord- en machinatieverhaal over een machtige familie, waarbij zelfs het gezin Corleone uit The Godfather van Mario Puzo bleekjes afsteekt.

Reacties: steinz@ nrc.nl

Robert Graves: `I Claudius' (onderdeel van `The Claudius Novels' in Penguin Modern Classics).

Volgende week: psychiatrische gevallen. Besproken boek: `Die Klavierspielerin' van Elfriede Jelinek.