Voorbij de grens

Wat mag men weten? Wat moet een individu of een natie weten? Wat moeten we nooit vergeten? Mnemosyne, herinnering, is volgens de oude Grieken de dochter van de hemel (het blijvende) en de aarde (het voorbijgaande). Hierdoor onderscheiden we ons van de dieren. De gebeurtenissen vormen een aanleiding tot herinnering en reflectie. Zo herinnerde ik me een anekdote over geiten. Het was voor mij, althans tot mijn viertiende, een vanzelfsprekende zaak dat in de dierenwereld geiten de mannelijke partners van schapen waren. En deze wijsheid had ik ooit, tijdens een heerlijke wandeling in een dorp nabij de stad Isfahan, gedeeld met mijn iets oudere neef Faramars (de zoon van de broer van mijn vader). Hij lachte uitbundig en vroeg me waarom ik dat dacht. Daarop antwoordde ik: ,,Een geit doet me denken aan een man, omdat hij een ernstig gezicht heeft met een baardje.'' Ik had al wel Ludwig Feuerbach en Victor Hugo gelezen, maar ik wist niet dat niet alle baardbeesten mannelijk zijn. Een domme vergissing!

Mijn hart krimpt ineen als ik aan Faramars denk. Het was begin jaren '80: een trottoir, een menigte en een politieke moord. We waren samen op weg naar een boekhandel. Ineens zagen we een opgehitst groepje Hezbollah-aanhangers. Hun woede richtte zich op een jonge, linkse intellectueel die krantjes, posters en dergelijke verkocht. ,,Hezeb veqat hezbollah'', riepen de baardmannen. Dat betekent: Geen partij dan Allahs partij.

Tevergeefs trachtte de belaagde intellectueel met ze in discussie te gaan. Plotseling trok een van die zonen van Allah een stanleymes en draaide zich als een danser op één been rond zijn as en sneed hij de onschuldige, intellectuele keel van die jongen door. Ik hoorde alleen nog een steeds zachter wordend Ah...

Een vreselijke vergissing! Hoeveel vergissingen mag een mens en mag een natie begaan?

Mijn ziel rouwt als ik aan Faramars denk. Hij was nog maar net dienstplichtig soldaat, het was in de herfst van 1981. We hadden een huis, met een grote tuin, in het noorden van Iran. Hij logeerde bij ons en we hebben lange wandelingen gemaakt in onze tuin, in de bossen en langs de kust van onze geliefde Kaspische Zee. Terwijl door de staatsterreur velen als herfstblaadjes vielen, spraken wij over de kracht van de golven. We zwoeren op die onrustige zee dat de mensen zich ons ooit zouden herinneren als golven van de zee en niet als het schuim van de golven dat vormloos sterft op de kust.

Thuis in alle rust zei Faramars: ,,We moeten iets doen. We moeten een vuist maken tegen de terreur.'' Hij vertelde me dat hij, eventueel met anderen, politieke gevangen wilde bevrijden om in dit tijdperk van wanhoop moed tentoon te spreiden. Een angstaanjagende stilte! Hoeveel keren mag een mens en mag een natie in de stilte verblijven?

Een paar weken later belde zijn zus, die al door de plaatselijke revolutionaire rechtbank bij verstek ter dood was veroordeeld, mij in paniek op. Ze zei dat ik de krant moest gaan kopen en de pagina met nieuwsberichten moest lezen. Ik rende op blote voeten naar de kiosk. Het was of de aarde zich opende. Het woord terreur werd opeens werkelijkheid. Het had mijn familie bereikt. Het bericht was kort: ,,De revolutionaire rechtbank heeft de onderstaande personen als vijand van de islam en de revolutie in hoedanigheid van `bedorvenen voor de aarde' geëxecuteerd.''

Ik haastte me naar mijn oom. Zijn zoon was ineens dood, verdwenen in een geheim massagraf. Ik wil het niet beschrijven.

's Avonds, terwijl onze afschuwelijke tante Imama ons martelde met het reciteren van de koran, kwam de broer van Faramars de kamer binnen. Zijn ogen waren bloedig rood, hij keek diep in de ogen van die tante en naar de koran. Plotseling liet hij een scheet ter belediging van tantes Allah, en terwijl hij met zijn wijsvinger naar haar wees, zei hij: ,,Luister jij, hoer van de profeet Mohammed, ik wil deze moorddadige verzen nooit meer horen.'' Hij ging naar buiten, hij viel op de grond, en hij huilde. Onverdraaglijk intens huilde hij.

De dood reisde van stad naar dorp, en van dorp naar de bossen. In diezelfde week werd nog iemand van onze familie terechtgesteld. Een jankende stilte! Hoeveel keren mag een mens en mag een natie in de stilte huilen?

Faramars betekent letterlijk: voorbij de grens, over de grens. Misschien is dit de enige waarheid die we nog met zekerheid over de terechtgestelde persoon kennen. Faramars ging met een kleine groep intellectuelen naar een bebost gebied, nabij een stad in het noorden van Iran, om 's nachts met een verrassingsaanval de politieke gevangen in die stad te bevrijden. Een nieuwsgierige herder ontdekte hen en tipte de veiligheidstroepen. Uitgerekend een herder! Waarschijnlijk kwam de helft van het groepje om in het vuurgevecht met de goed getrainde speciale troepen. De anderen werden zonder een medische behandeling na verhoor en folteringen in een bliksemzitting van de revolutionaire rechtbank ter dood veroordeeld. Geen advocaat. Alleen een imam: rechter en aanklager tegelijk.

Deze moordenaars doen mij onverwijld denken aan hun baas, Allah. Faramars zou zijn beulen bespuugd hebben. Bij zonsopgang zijn ze terechtgesteld. Op 24 november, de vermoedelijke dag van Faramars' executie, herdenken wij Allahs gerechtigheid. Een vreselijke herinnering! Hoeveel mag een mens en mag een natie zich herinneren?

Groen, groenig, over de grenzen, voorbij de grenzen, spreek ik nog steeds met mijn speelkameraad, en met het schaamtegevoel van een overlevende dicht ik zijn stem:

Het lijden van de aarde

ben ik

zonder enkele vlucht

de zee van de stormen

ben ik

zonder enkele rust

de zwaluw van de terugkeer

ben ik

zonder enkele terugtocht

Een paar weken geleden heb ik mijn oom gesproken. Hij zei me dat ik het verhaal van Faramars moet doorvertellen, en hem moet herdenken en de herinnering aan hem levend moet houden bij een volk dat volgens mijn oom de islamitische terreur niet kent. Sinds 2 november is dat niet langer het geval. Holland leeft ook in een tijd van terreur.