Rotterdam en Havenbedrijf moeten vertrouwen winnen

In het hoofdartikel van NRC Handelsblad, 22 november, wordt gesteld dat de Tweede Kamer terecht eist dat voordat het rijk kan participeren in het Havenbedrijf Rotterdam, eerst moet worden uitgezocht wat precies de omvang van de financiële perikelen zijn van dit bedrijf. Hierdoor kan vertraging ontstaan voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte, waarover geconcludeerd wordt: ,,Maar dat moet dan maar zo zijn.''

Dit is een merkwaardige conclussie en wel om meerdere redenen.

Nadat het artikel zelf terecht stelt dat de noodzaak van de aanleg op zich niet ter discussie staat (,,het is verstandig dat die er komt'') wordt de mogelijke vertraging gerechtvaardigd met het argument dat grote infrastructurele werken financieel uit de hand kunnen lopen. Op zich is dit juist.

De ervaring heeft geleerd dat ,,het uit de hand lopen'' meestal niet veel te maken heeft met ,,financiële perikelen'' zoals bij het Havenbedrijf. Zeker de Tweede Kamer zou die les na de Betuwelijn inmiddels geleerd moeten hebben. Als er ergens nu goed toezicht gehouden gaat worden, dan is dat gezien de ervaringen bij het Havenbedrijf dan ook wel bij dit project.

Voorts moet bedacht worden dat én gezien de zeer sterke groei van de containersector én de belangstelling die grote rederijen voor het project hebben, het signaal van de politiek aan het (buitenlandse) bedrijfsleven op dit moment wel erg ongelukkig is. Een en ander helpt voorts ook al niet om Rotterdam en het Havenbedrijf vertrouwen te laten herwinnen bij zijn klanten.

Daarnaast heeft het rijk natuurlijk meer dan voldoende middelen om te voorkomen dat het nadeel lijdt door te participeren in iets dat mogelijk minder waard blijkt dan gedacht. Juridisch zijn daarvoor mogelijkheden te over. Kortom: `dubbel mis'.