Column

Röntgenfoto’s

Tot een aantal jaren geleden wist ik niet dat het algemeen bekend was dat Frank Sinatra enorm zwaar geschapen was. Buitenproportioneel zelfs. Ik kwam daar pas achter toen ik in mijn jonge jaren in een aantal kroegen de bijnaam The Voice kreeg. De dames noemden mij zo. De dames die het konden weten.

In elk vak is veel afgunst. In mijn vak zeker. Doodordinaire beroepsjaloezie.

1. Welke cabaretier trekt de volste zalen?

2. Welke columnist verkoopt de meeste boeken?

3. Welke schrijver heeft de mooiste vrouw?

Deze drie vragen kan ik probleemloos met ik beantwoorden. Volmondig zelfs! Vooral over het laatste antwoord is een discussie zinloos. Ieder Boekenbal kijk ik vol medelijden naar mijn collega-stukjesschrijvers, die wekelijks ploeteren op een scherpe en humoristisch bedoelde column, die vervolgens amper en zonder glimlach wordt gelezen. Maar dat vind ik niet het meest meelijwekkend. Het treurigste is het feit dat ik hun vrouwen op dat feestje mag aanschouwen. Dat ze overdag geen succes hebben is natuurlijk vervelend, maar als ik zie met welk monster ze zich na zo’n mislukte dag door de eenzame nacht moeten worstelen, denk ik: wat een leed.

Sommige columnisten hebben bovenstaande regels met een briesende geest tot zich genomen. Het ergste is dat ze weten dat ik gelijk heb. Hun stukjes zijn niet leuk, ze worden amper gelezen en ze hebben een lelijk wijf. Ze willen me niet vermoorden, maar zouden het niet erg vinden als ik binnen twee jaar overlijd aan een ongeneeslijke vorm van geurkaarsenkanker. Wie vertelt het aan het gereformeerde lachebekje Andries Knevel?

Omdat men mij toch wil kwetsen worden er de laatste tijd allerhande grachtengordelroddels over mij verspreid. De NRC zou van mij afwillen, ik zou mijn eigen boeken opkopen om ze uit de ramsj te houden en de anekdote over mijn bijnaam The Voice zou ik zelf hebben bedacht. Op damespartijtjes zou juist gierend over Klein Duimpje gesproken worden. Een jaloerse echtgenoot van een van mijn exen heeft de grap verspreid `wie de jongeheer van Youp wel eens gezien heeft?’ Het antwoord is: Niemand. Te klein om zonder loep waar te nemen.

Mij doet het allemaal niks. Hoewel? Het is niet helemaal toevallig dat ik volgende maand voor heel veel geld bloot in het feestnummer van een damesblad verschijn. Ik moet wat belastingschuld inlossen. En let op dames: niets verhullend. Het enige dat ik nog draag is mijn bril. De foto’s zijn genomen op een warm strand op Bonaire en ik lig daar ontspannen met mijn apparaat over mijn rechterschouder. In het spraakmakende interview vertel ik uitgebreid waarom Napoleon en ik altijd onze hand tussen onze jas houden.

Natuurlijk weet ik dat heel Nederland rond de kerst over mij zal struikelen. Men zal spreken over fotoshoppen, siliconen en andere hulpmiddelen, maar u begrijpt dat ik de röntgenfoto’s al op zak heb. Afgelopen week heb ik mij gemeld in een Amsterdams ziekenhuis. Toen ik aan de infobalie vertelde wat ik in de aanbieding had was er opeens geen wachtlijst meer. Eén röntgenapparaat bleek echter niet genoeg. Er moesten er drie naast elkaar worden gezet. Anders ging het niet lukken. Dat duurde even.

Onderhand las ik in de wachtkamer in een ochtendblad dat de Amsterdamse zwervers tegenwoordig met shirtreclame lopen. Een ijsmerk op hun warme jas. Zou het niet leuker zijn als een dakloze met een reclame van een makelaarskantoor op zijn rug loopt? Een makelaar gespecialiseerd in tweede huizen!

Na een klein half uur was ik aan de beurt. Ik stond in de ene kamer en mijn Vrolijke Frans, zoals ik hem zelf graag liefkozend mag noemen, ging via een tussendeur door naar de andere kamer. De radioloog was totaal verbijsterd. Dit had hij nog nooit gezien.

Ik keek licht arrogant, vouwde de boel onder mijn kleren en verliet glimlachend het hospitaal. Nog net hoorde ik de prachtige assistente een opmerking over mijn schitterende vrouw maken. Wat ze zei? Haar leven is wél leuk!