Praktijkles voor hedonisten

Stages en praktijkervaring kunnen helpen om potentiële `drop-outs' op school te houden. Toch waarschuwen deskundigen voor een te grote invloed van bedrijven op het onderwijs.

HET ROTTERDAMSE Zuidplein herbergt niet alleen warenhuizen en supermarkten, achterin de winkels zijn ook leslokalen te vinden. Zo'n zeventig leerlingen van 16 tot 23 jaar volgen er een opleiding tot winkelassistent. Ze pendelen op en neer tussen de winkelvloer en de schoolbanken. ``Vier jaar geleden hadden wij in deze beroepsopleiding te maken met een uitval tot wel 70 procent'', zegt Piet Boekhoud, voorzitter van het Rotterdamse Albeda College dat deze mbo-opleiding aanbiedt. ``Tegenwoordig is het eigenlijk nauwelijks meer een issue. Als er mensen stoppen dan doen ze dat aan het begin van de opleiding, ze komen er snel achter dat ze zich in de winkel toch niet op hun gemak voelen.''

De opleiding winkelassistent van het Albeda College is een voorbeeld van het soort beroepsonderwijs waar jongeren van vandaag behoefte aan hebben. Dat stelde het Innovatieplatform onlangs in `Beroepswijs beroepsonderwijs', een rapport waarvan Boekhoud medeauteur is. ``De jeugd van vandaag wil geen verhaaltjes, ze willen iets beléven'', zegt hij. ``Bedrijven kunnen jongeren de praktijkervaring bieden die nodig is om ervoor te zorgen dat zij hun opleiding afmaken.''

Van alle studenten en leerlingen in Nederland volgt 60 procent een beroepsopleiding en juist hier is het probleem van de `drop-outs' het grootst. Het Innovatieplatform, een raad van ondernemers en beleidsmakers die het kabinet adviseert over de `kenniseconomie', schetste afgelopen maand een somber beeld van deze vorm van onderwijs. Volgens de adviseurs is in de `hedonistische moderne jeugdcultuur' weinig plaats voor ambitie en ondernemerschap.

diploma

In een brief aan de Tweede Kamer was staatssecretaris Rutte van Onderwijs afgelopen donderdag iets positiever. Het aantal jongeren dat school verlaat zonder diploma is voor het eerst in jaren gedaald, tot iets minder dan 64.000. `Eindelijk een positief geluid op het taaie onderwerp van voortijdig schoolverlaten' aldus de staatssecretaris. De jongste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten niettemin zien dat 15 procent van de jongeren tussen 18 en 24 jaar nog altijd niet beschikt over een diploma. Dit percentage is al enige jaren vrijwel stabiel.

Volgens het Innovatieplatform moeten bedrijven jongeren de praktijkervaring bieden die nodig is om potentiële drop-outs bij de les te houden. Maar de adviseurs over de `Kenniseconomie' gaan nog een stap verder. Ze pleiten ervoor om bedrijven ook een grotere invloed te geven op onderdelen van het curriculum. Bij die laatste conclusie plaatsen onderwijsdeskundigen vraagtekens.

``Het lijkt mij zeer ongewenst'', zegt Hans Heijke, hoogleraar onderwijs en arbeidsmarkt aan de Universiteit van Maastricht en verbonden aan het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). ``Natuurlijk moeten scholen in de gaten houden wat er op de arbeidsmarkt gebeurt, maar ze moeten die kennis zelf vertalen naar opleidingen die op de lange termijn nuttig zijn voor hun leerlingen.'' Een voorbeeld van twijfelachtige bemoeienis met het (beroeps-) onderwijs is de (financiële) bijdrage van ICT-bedrijven aan opleidingen die les geven in het gebruik van software die deze bedrijven zelf hebben ontwikkeld.

Ronald Batenburg, die onderzoek deed naar de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt, wijst erop dat bedrijven er belang bij hebben om mensen op te leiden die op korte termijn bij hen aan de slag kunnen. ``Het is goedkoop om een mbo-er in dienst te nemen die kan werken met de jongste versie van een gewenst softwareprogramma. Dat hoeft voor een scholier op de lange termijn nog niet de verstandigste investering te zijn.''

Het Innovatieplatform constateert dat de contacten tussen onderwijs en bedrijfsleven onderhevig zijn aan de grillen van de conjunctuur: `Bij een hoogconjunctuur worden de leerlingen/studenten al voor het afstuderen door bedrijven geworven. Bij een laagconjunctuur is zelfs het vinden van een stageplaats al ingewikkeld', aldus het rapport. Deze gevoeligheid zou kunnen worden verminderd `als de communicatie tussen bedrijven, instellingen en scholen een intensiever en meer structureel karakter krijgt'.

Maar het is de vraag of het bedrijfsleven kan helpen de varkenscyclus op de arbeidsmarkt te ondervangen. Wie medio jaren negentig bij zijn studiekeuze heeft geluisterd naar de roep van beursgenoteerde ondernemingen om meer computerdeskundigen is nu misschien werkloos. ``Werkgevers zijn niet beter in staat om over een periode van vijf jaar te voorzien hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelt dan onderwijsinstellingen, of scholieren'', zegt onderzoeker Frank Körvers van het ROA. ``Het lijkt me geen sterk argument om bedrijven meer zeggenschap te geven over de inhoud van opleidingen.'' Collega Hans Heijke: ``Het risico is te groot. Als je bedrijven vraagt aan welk soort vakmensen behoefte bestaat dan loop je het risico dat de bedrijven overvragen: `leid maar op die mensen'. Als het aantal arbeidsplaatsen in de praktijk tegenvalt dan komt de rekening bij de maatschappij te liggen.''

Regionale Opleidingscentra, zoals het Albeda College in Rotterdam zijn mede opgericht om ervoor te zorgen dat het middelbaar beroepsonderwijs past bij de economische activiteiten in de regio. Toch laat die afstemming nog veel te wensen over, meent Körvers: ``In het huidige stelsel worden de ROC's afgerekend op het aantal leerlingen dat ze hebben en het aantal diploma's dat ze uitreiken. Naar het externe rendement, het percentage jongeren dat daadwerkelijk aan de slag komt, wordt niet gekeken.''

Boekhoud van het Albeda College erkent het probleem: ``Dat wij worden afgerekend op aantal studenten en diploma's is nog een overblijfsel van de Wet Educatie Beroepsonderwijs. Die is tot stand gekomen in 1997, midden in de hoogconjunctuur. Veel problemen die we nu hebben speelden toen nauwelijks. Wij hadden juist te maken met `groenpluk', waarmee ik bedoel dat onze scholieren al tijdens de opleiding door bedrijven werden binnengehaald.''

Volgens Boekhoud registreert het Albeda College wel of leerlingen negen maanden na het afsluiten van hun opleiding een baan hebben. ``Natuurlijk staan ze er op de arbeidsmarkt op dit moment minder goed voor dan een paar jaar geleden. Jongeren met een beroepsopleiding voor de horeca hebben het op dit moment het moeilijkst.''

Dankzij een reeks fusies zijn de Regionale Opleidingscentra, zoals het Albeda College, de afgelopen jaren uitgegroeid tot relatief grote organisaties. Heijke van het ROA ziet daarin een positieve ontwikkeling: ``Je mag verwachten dat dergelijke instanties op voet van gelijkheid met het bedrijfsleven kunnen communiceren.'' Dat is in Rotterdam het geval, meent Piet Boekhoud: ``Wij hebben het `Werkbank Platform' opgericht. Daarin wisselen we met ondernemers van gedachten over het curriculum, maar uiteindelijk blijven de lessen onze verantwoordelijkheid.'' Proberen de bedrijven toch niet om de opleidingen naar hun hand te zetten? Boekhoud: ``Ach, in dat overleg komen vooral praktische dingen aan de orde. Hoe je je moet gedragen op de werkvloer bijvoorbeeld. Werkgevers zitten niet te wachten op iemand met een piercing achter de toonbank. Daarin kunnen ze zich nogal vierkant opstellen.''