Ongrijpbare kwelgeest van Jacques Chirac

Morgen wordt Nicolas Sarkozy gekozen tot voorzitter van de UMP, de partij van president Jacques Chirac. Ooit was hij een `intieme' vriend van Chiracs dochter. Nu is hij de grootste rivaal van de president.

,,Zonder heimwee'' nam Nicolas Sarkozy, de Franse minister van Financiën, deze week voor het laatst deel aan de wekelijkse ministerraad. Het was weer eens een goed gekozen woord, op het juiste moment. Het had, zo direct na de vergadering uitgesproken, twee betekenissen: ik heb zin in het nieuwe avontuur. En: blij dat stelletje sukkels achter me laten. Even daarvoor hadden voorzitter van het beraad, president Jacques Chirac, en premier Jean-Pierre Raffarin in sobere bewoordingen (,,met achting en erkentelijkheid'') afscheid genomen van hun scheidend minister. Sober ook was diens antwoord: ,,Bedankt.''

Echt weg is Sarkozy maandag pas, de dag na zijn uitverkiezing tot voorzitter van regeringspartij UMP, die morgen plaatsheeft. Weliswaar is de naam van de winnaar nog geheim, maar de stemcomputer heeft volgens programmering gemeld dat één van de drie kandidaten meer dan 50 procent van de stemmen heeft behaald. Dat kan niemand anders dan Sarkozy zijn. Zijn voorganger Alain Juppé heeft hem dan ook al gefeliciteerd in een handgeschreven brief. Die de geadresseerde prompt openbaar heeft gemaakt.

Sarkozy vergaarde om precies te zijn 54 procent van de stemmen, uitgebracht door 71.706 partijleden, op een totaal van 132.922 stemgerechtigden. Dat komt neer op een opkomst van 53,94 procent, bijna het dubbele van de schamele 29 procent die in 2002 Alain Juppé tot voorzitter koos.

Sarkozy heeft, opnieuw, een reden tot tevredenheid. Sinds zijn aantreden in 2002 als minister, aanvankelijk van Binnenlandse Zaken en sinds april dit jaar van Financiën, is zijn opkomst onstuitbaar geweest. `Kleine Nicolas' werd hij voordien half-meewarig genoemd, wegens zijn postuur, maar vooral omdat hij in 1995, toen Jacques Chirac voor de eerste keer tot president werd gekozen, op het verkeerde paard – Edouard Balladur – had gegokt. Het Elysée deed de `verrader' prompt in de ban, waaruit de ambitieuze burgemeester van de chique Parijse voorstad Neuilly pas zeven jaar later werd verlost met zijn benoeming tot minister. De verrader had ondanks alles kwaliteiten – dat zag de herkozen Chirac ook wel.

Dat het staatshoofd zich daarin niet vergiste, is niet verwonderlijk. Chirac en Sarkozy kennen elkaar van haver tot gort. De ballingschap naar de marge van de politiek had een persoonlijke kant. Tot aan zijn verraad was Sarkozy huisvriend van de Chiracs en zelfs `intieme' vriend van dochter Claude. Die waakt, sinds haar vader het hoogste ambt bekleedt, over diens imago en is uitgegroeid tot zijn belangrijkste adviseur. Met dank aan de kleine Nicolas, van wie Claude de kneepjes van het vak leerde.

Het is met het oog op die voormalige nauwe banden een bijna Shakespeareaanse speling van het lot dat Sarkozy en Chirac regelrechte rivalen zijn geworden en dat Claude haar voormalige leermeester helpt bestrijden met de wapens die deze haar zelf in handen heeft gegeven. Die kan ze goed gebruiken. Sarkozy, die van zijn presidentiële ambities geen geheim heeft gemaakt (,,Ik denk niet alleen tijdens het scheren aan de verkiezingen van 2007''), betreedt immers het hol van de leeuw, als voorzitter van Chiracs eigen partij UMP. Hij krijgt daarmee de beschikking over wat grondlegger en Chiracs kroonprins Alain Juppé `de machine om te winnen' heeft genoemd. Tot overmaat van ramp is Juppé uit de politiek verdreven door een veroordeling tot onverkiesbaarheid wegens een affaire rondom fictieve banen in de periode dat hij Chirac diende als adjudant op het Parijse stadhuis. Op 1 december is de uitspraak in hoger beroep.

,,Het is oorlog'', zo constateert menig commentator niet zonder reden, maar dat die oorlog een nieuwe, beslissende fase ingaat, zou een juistere analyse zijn. Gesteund door zijn populariteit heeft Sarkozy – of `Sarko', zoals hij ook zichzelf met bijna duivels genoegen noemt – gedurende zijn beide ministerschappen geen gelegenheid voorbij laten gaan om zich te wreken. Voor de ballingschap, maar ook voor de vernedering gepasseerd te zijn voor het premierschap, ten gunste van de door hem bijna openlijk geminachte, destijds volslagen onbekende en uit de provincie geplukte plattelandsbestuurder Jean-Pierre Raffarin.

Hij mocht geen premier worden, omdat Chirac – na zijn eerste ambtsperiode te hebben uitgezeten in een verlammende cohabitation (samenleving) met een premier van linkse signatuur – geen zin had in een nieuwe krachtmeting. Verkeerd gegokt: het werd nu vrij schieten voor Sarkozy, die direct openlijk afstand nam van zijn politieke familie en verklaarde: ,,De mensen hebben niet genoeg van de politiek, maar van politici die niets te zeggen hebben.'' Bijna letterlijk zei de `nieuwe politicus' Sarkozy ook wat in Nederland Pim Fortuyn zei: ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. Geen dag ging voorbij of hij was `in de media'. Ongrijpbaar, links noch rechts zo leek het wel, ging hij over tot actie.

Hij maakte een einde aan de in zijn ogen onrechtvaardige `dubbele straf', de uitwijzing van een gedetineerde van buitenlandse afkomst na het uitzitten van diens straf: tot verbijstering van links dat dit ook altijd gewild maar niet gedurfd had. Hij sloot het hemeltergende vluchtelingenkamp in Sangatte. Vormde tegen de klippen op een moslimraad, leidde terloops de vastgelopen onderhandelingen tussen de bonden en zijn collega van Onderwijs tot een goed einde. Ging in debat met de extreem-rechtse leider Jean-Marie Le Pen (wat Chirac even daarvoor niet durfde) en voerde als bewijs van de noodzaak van immigratie doodleuk aan dat hijzelf het kind is van een Hongaarse immigrant. (,,Ik zou hier niet hebben gezeten!'') Wees voortdurend op de onder zijn bewind dalende misdaadcijfers. Gaf spectaculaire persconferenties, waarop zijn entree werd aangekondigd door een horde voor hem uitrennende, als vanouds weer in livrei gestoken kamerbodes.

De resultaten van zijn slechts zeven maanden op Financiën zijn meer omstreden. Maar zelfs zijn tegenstanders komen er niet goed uit: de `liberale interventionist', die een `moderne' en mondiaal georiënteerde economie propageert maar niet schuwde in te grijpen om Franse industrieën te redden, is ook voor hen ongrijpbaar. Hij nagelde de nieuwe lagelonenlanden in de Europese Unie aan de schandpaal om hun lage bedrijfsbelastingen, maar paaide Europa ook door als enige Franse politicus te beloven het begrotingstekort weer onder de norm te brengen.

Intussen schoot hij zijn pijlen af, richting Chirac. Verklaarde zich tegen de presidentiële lijn in tegenstander van toetreding van Turkije tot de EU en voorstander van positieve discriminatie. Liet zich in Washington ontvangen door de naaste adviseurs van president Bush en vroeg in Peking aan leider Hu Jintao ,,hoe het is om van nummer twee nummer een te worden''. Wil tot ergernis van de `chiraquie' de `laïcité', de bijna heilige scheiding van kerk en staat, versoepelen om de staat de bouw van moskeeën te kunnen laten financieren. De nieuwe sleutelfiguur in de Franse politiek irriteert Chirac, in hoge mate. Naar aanleiding van de Peking-opmerking riep de president vertwijfeld: ,,Maar ik ben daar óók ontvangen, toen ik nog niets was!'' Nog geen half jaar geleden baste de koning-president: ,,Ik beslis, hij voert uit!'' Het haalde niets uit. Doodgemoedereerd liet zijn kwelgeest weten: ,,Ik doe niets, waarin ik niet geloof.''