Innovatieve kunst hoort in museum, niet op plein

Gevraagd: een landelijk en gemeentelijk kunstbeleid dat meer rekening houdt met de bevolking en de stad.

Een gemeente die een traditioneel, bronzen standbeeld op sokkel binnen haar grenzen wil plaatsen, hoeft niet te rekenen op toekenning van overheidssubsidie. Maar ook abstracte stalen constructies of kleurrijke keramieken zijn vaak niet innovatief genoeg om subsidie te krijgen voor het plaatsen van kunst in de openbare ruimte. Door het huidige kunstbeleid van de rijksoverheid en grote steden is kunst in de openbare ruimte nu vaker immaterieel of minder gemakkelijk te identificeren als kunst: een enquête in je bus met de vraag of je bereid bent illegalen in je buurt aan te geven in Amsterdam, een rondje hardlopen in de Bijlmer, een verfbeurt voor een verloederde Amsterdamse wijk, oranje stadionstoeltjes op lege velden in de Leidsche Rijn of een duintop met een uitholling in het midden bij Kijkduin.

Een half jaar geleden kregen de bewoners van de nieuwbouwwijk Milligen aan de Plas in Zwolle een onthutsende ervaring. Het kunstwerk waaraan een Italiaanse kunstenaar in een afgesloten tent had gewerkt, bleek bij de onthulling niet te bestaan. Kunstenaar en kunstwerk waren een fictie. De zeepbel van hoge verwachtingen was geknapt, en dat was precies de bedoeling van de Nederlandse kunstenares. Het proces zelf bleek de kunst te zijn geweest en was vastgelegd op film. Het overgrote deel van de bewoners voelde zich in de maling genomen en nam geen genoegen met de dvd die werd uitgereikt. Er was tenslotte 138.000 euro voor betaald. Uiteindelijk kregen ze ook een gedenksteen aangeboden en werden ze na het nuttigen van een hapje en drankje weer redelijk tevreden naar huis gestuurd.

Waarom zou de overheid innovatieve kunst stimuleren die geen duurzame aansluiting beoogt met een breder publiek? De door het ministerie van OCW ingestelde Stichting Kunst in de Openbare Ruimte (SKOR), die gemeenten en niet-professionele opdrachtgevers begeleidt bij kunstaankopen, geeft in haar beleidsplan aan dat zij op ,,onconventionele wijze'' haar publiek wil bereiken en in algemene zin ,,de rekbaarheid van het begrip openbare ruimte en de betekenis van kunst daarbinnen'' op de proef wil stellen. Ook wil zij ,,een conventionele of al te veel op dienstbaarheid gerichte vraag van een opdrachtgever ombuigen naar een meer innovatieve benadering''. Hoewel SKOR veel projecten begeleidt die zeer de moeite waard zijn, is het keurslijf van een innovatieve aanpak dat gemeenten door landelijke subsidieverlenende instanties aangemeten krijgen, niet noodzakelijk en niet gewenst.

Ook gemeenten zijn niet vrij te pleiten. Veel steden hebben hun kunstbeleid in handen gelegd van centra voor beeldende kunst. Deze centra zien de openbare ruimte al snel als een uitbreiding van de tentoonstellingsruimte die zij voor hun collecties tot hun beschikking hebben. Maar de openbare ruimte is geen expositieruimte voor vernieuwende en experimentele kunst.

Het gevoel dat verantwoording moet worden afgelegd aan de bevolking is niet sterk aanwezig. Dit blijkt ook uit het in toenemende mate achterwege laten van inscripties bij kunstwerken. Kunst in de openbare ruimte zou meer waardering van de bevolking ontvangen als het kunstwerk herkenbaar is als kunst en middels een inscriptie aan het publiek wordt uitgelegd. Niet iedereen heeft het geduld of het innerlijk reflecterend vermogen om zelf achter de betekenis te komen, of om er zelf betekenis aan te geven.

Het huidige overheidsbeleid lijkt ervan uit te gaan dat de bevolking het meest gediend wordt door innovatieve kunst. Maar waarom zouden bijvoorbeeld identiteitsbevestigende kunstwerken de openbare ruimte minderwaardig zijn? Kunstwerken die de identiteit van de stad of de streek bevestigen, kunnen de aandacht voor de geschiedenis levend houden en zodoende een eerste stap zijn in het verhelpen van de identiteitscrisis waar Nederland de laatste jaren mee worstelt. Bovendien kan deze vorm van publieke kunst het karakter van Nederland als toeristische trekpleister versterken en de integratie van nieuwe immigranten bevorderen door hun de kans te geven zich te identificeren met een publieke identiteit. Als de landelijke overheid zich al geroepen voelt tot het verstrekken van subsidies voor gemeentelijke kunstaankopen, dan is deze vorm van kunst opbouwender dan innovatieve kunst.

Tenslotte wordt het werk van innovatieve kunstenaars niet altijd gewaardeerd door zijn of haar tijdgenoten. Er moet soms een generatie overheen gaan, voordat deze kunst op waarde wordt geschat. Maar als een deel van de kunst die op dit moment van overheidswege in de publieke ruimte wordt geplaatst van tijdelijke of immateriële aard is, krijgen toekomstige generaties geen kans om deze kunst in hun tijd te waarderen. Bovendien kan het de aantrekkelijkheid van de stad of streek niet verhogen, omdat de kunst niet blijvend is.

Daarom pleiten wij voor een landelijk en gemeentelijk kunstbeleid waarin het besef dat kunst bestemd is voor de bevolking en de stad sterker aanwezig is. Soms worden er betere keuzes gemaakt door een bevlogen cultuurambtenaar dan door een ambitieuze kunstinstelling. Innovatieve kunst hoort thuis in een museum of in speciale openluchttentoonstellingen, die voor het vervullen van deze taak overheidssubsidie kunnen verkrijgen. De openbare ruimte is meer gediend met een stabiliserend dan met een innoverend kunstbeleid.

Arie Slob is lid van de fractie van ChristenUnie in de Tweede Kamer en woordvoerder cultuur. Simone Kennedy-Doornbos is voorzitter Werkgroep Kunst in de Openbare Ruimte van de ChristenUnie.