Het Chinees bestaat niet

Met 875 miljoen moedertaalsprekers is het Mandarijn veruit de grootste wereldtaal. De sinoloog Jeroen Wiedenhof schreef een dikke en toegankelijke grammatica die uitgaat van de spreektaal.

MENSEN VRAGEN wel eens: `Verandert het Chinees ook?' Dat vindt Jeroen Wiedenhof een vreemde vraag. Alle talen veranderen, dus waarom zou het Chinees niet veranderen? ``Als je nou naar de afgelopen eeuw kijkt, wat er allemaal in China is gebeurd. In 1912 werd het Keizerrijk afgeschaft en de Republiek gesticht. In 1949 vond de communistische revolutie plaats. Daarna kreeg je die vreselijke periode van 1966 tot 1976: de Culturele Revolutie. En tot slot, in de jaren tachtig: de openstelling naar het Westen. Allemaal periodes waarin die taal enorm is veranderd. En nu helemaal, met popcultuur in de steden. Het is gigantisch, wat er gebeurt. Tegelijkertijd is het een enorm gebied, dus je hebt ook nog heel veel regionale variatie.''

Hét Chinees bestaat niet. Wat wij `Chinees' noemen is een groep van zeven talen, waarvan het Mandarijn de grootste is. Met 875 miljoen moedertaalsprekers (ruim twee keer zoveel als het Engels, het Spaans of het Hindi) is het Mandarijn ook veruit de grootste wereldtaal. Het wordt als officiële taal gebruikt in China, Taiwan en Singapore.

Wiedenhof, verbonden aan het Sinologisch Instituut van de Universiteit Leiden, heeft nu een dikke grammatica van het Mandarijn gepubliceerd. Een royaal naslagwerk, dat zich niet alleen richt op Nederlanders die het Mandarijn onder de knie proberen te krijgen – zowel beginners als gevorderden – maar ook op mensen die meer in het algemeen in talen geïnteresseerd zijn. Ook voor Nederlanders die geen woord Chinees spreken is het een zeer leesbaar boek, waarin uit de doeken wordt gedaan hoe het Mandarijn in elkaar steekt.

Wiedenhofs uitgangspunt was: het Mandarijn beschrijven zoals het daadwerkelijk wordt gesproken. Dat lijkt voor de hand te liggen. Maar grammaticaboeken hebben de neiging om achter te lopen op de actuele ontwikkelingen in de taal. Dat is zeker bij de beschrijving van het Mandarijn het geval. Wiedenhof: ``Het Chinees wordt al duizenden jaren geschreven en er is ontzettend veel oude literatuur in overgeleverd. Dat brengt met zich mee dat die taal bijna altijd wordt benaderd vanuit het schrift. En dan niet zomaar een schrift, maar het Chinese schrift, dat geen directe weergave is van de klank.''

Spreek- en schrijftaal staan in China erg ver van elkaar af. Daar kwam Wiedenhof zelf achter toen hij na drie jaar Chinees in Leiden een jaar naar Peking kon. De allergewoonste zinnetjes bleek hij soms niet te verstaan. Zoals: `Hé, wat ben je aan het doen?' In Leiden had hij geleerd: `Ni zuo sheme?' (Jij doen wat?) Maar in Peking zeggen ze meestal: `Gan ma, ni?' (Doen wat, jij?).

Wiedenhof: ``Een ander werkwoord, een ander woord voor `wat', en dan óók nog een andere zinsvolgorde. Het is een heel eenvoudig, alledaags zinnetje, en dat versta je dan niet, na drie jaar Chinees studeren. Heel raar natuurlijk.''

In zijn grammaticaboek heeft hij dit zinnetje wél opgenomen. ``Vooral die achterplaatsing van `jij' is grappig. Achterplaatsing heb je in het Nederlands ook. `Leuke jongen, die Kees.' `Ik heb hem niet gezien, je fiets.' Je voegt achteraf nog iets toe, ter verduidelijking. In het Mandarijn doen ze dat dus ook, en ik heb de indruk dat het daar normaal is om het zo te zeggen. Een ober in een restaurant zegt bijvoorbeeld, als de gasten vertrekken: `Ga langzaam weg, u.' Hij bedoelt: maak geen haast om weg te komen, neem de tijd, tot ziens. Dat is, zeker in Peking, een soort beleefdheidsvorm geworden.''

Een ander voorbeeld. Zoals in veel talen hoef je in het Mandarijn niet te zeggen `Hij is sporter', maar kun je volstaan met: `Hij sporter' (Ta yundongyuan). Echter, het is voor een Chinees volstrekt ondenkbaar dat je het zo ook schrijft, zónder het karakter voor `is' (shi). Wiedenhof: ``Je komt dat hooguit tegen in experimentele poëzie of in hippige reclame. Maar niet in de grammaticaboeken. Want: zo schrijf je het niet. In het Mandarijn zijn ze extreem normatief. Het Chinese onderwijs is ook erg schools. Wat de leraar zegt, is waar. En wat in de boekjes staat, is helemáál waar. Natuurlijk is er in het Nederlands ook een verschil tussen hoe je iets zegt en hoe je het schrijft. Maar als je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst kijkt, dan vind je daar toch aardig wat spreektaaldingetjes in.''

Als Wiedenhof in Peking is, heeft hij altijd een notitieboekje bij zich. Zodra hij iets nieuws of merkwaardigs hoort, haalt hij het boekje tevoorschijn en schrijft het op. ``Een goede manier om woorden en uitdrukkingen te registreren'', vindt hij. ``Maar wil je echt de zinsbouw van het gesproken Mandarijn bekijken, dan volstaat zo'n notitieboekje niet. Dan moet je alledaagse gesprekken op de band opnemen.'' Ook dat heeft hij gedaan. Begin jaren negentig nam hij, voor zijn promotie-onderzoek, gesprekken op, waarvan hij vervolgens vijfduizend zinnen minutieus transcribeerde in het Pinyin, een schrijfsysteem met Latijnse letters. ``Je moet het echt op papier zien. Dan zie je opeens allerlei grammaticale dingen, die nergens beschreven zijn. Waaronder vrij spectaculaire, zoals een werkwoord voor `niet zijn', dat je in geen enkele grammatica of woordenboek terug kan vinden. Het rare was: toen ik daarover ging publiceren, geloofde niemand het. Er is namelijk geen Chinees karakter voor. Je kunt het niet schrijven. En dus bestaat het niet. Ik heb er zelf een karakter voor moeten bedenken.''

toontaal

Nederlanders denken meestal dat het `Chinees' een erg moeilijke taal is om te leren. ``Het schrift is een fikse barrière'', beaamt Wiedenhof. ``En dan is er natuurlijk het toonsysteem.'' Het Mandarijn is een toontaal: de lettergrepen moeten op een bepaalde toonhoogte en met een bepaalde intonatie worden uitgesproken. Afhankelijk van die `toon' betekent de lettergreep shu: boek, rijp, tellen of boom. Een woord dat niet met de juiste toon wordt uitgesproken, is voor een Chinees onverstaanbaar.

Ieder jaar moet Wiedenhof een nieuwe lichting studenten vertrouwd maken met dit toonsysteem. ``Het is niet alleen een kwestie van toonhoogte'', zegt hij. ``Maar ook van volume en tempo. Dus: hoog - laag, hard - zacht en snel - langzaam. Als je dat aan Nederlanders wilt uitleggen, heb je maar één handvat: de zinsintonatie, die wij gebruiken om bijvoorbeeld woede of verbazing uit te drukken, maar ook om aan te geven dat een zin een vraag is. `Kaas!' klinkt anders dan `Kaas?'. Ik probeer mijn studenten dus eerst bewust te maken van wat ze in het Nederlands met intonatie doen: `Kaas?' – wat gebeurt er in dat zinnetje? De toon gaat omhoog. Nou, dat is ongeveer de tweede toon van het Mandarijn. En `Bah!', in `Bah, wat vies!', dat is ongeveer de vierde toon.''

De beste manier om de uitspraak van een taal te leren is volgens Wiedenhof: domweg nazeggen en daarbij voor je gevoel stevig overdrijven. ``Ik moedig mijn studenten aan om zich aan te stellen. Zet die koptelefoon op, en ook al begrijp je het niet, zeg het maar na. Je moet gevoel voor die nieuwe klankwereld krijgen, je moet het als een kind benaderen. Nog even niet analyseren. En dúrven overdrijven. Dat is een speelsheid die niet alle volwassenen kunnen opbrengen.''

Kleine kinderen hebben al vroeg een sterk gevoel voor toon. Al voordat ze hun eerste woordjes produceren, slagen ze erin om met behulp van intonatiepatronen te communiceren. Met een hoog hijgend `h! h! h!' maken ze duidelijk dat ze iets gedaan willen hebben. En een laag, ontevreden `mmmmm!!' betekent: nee!

``Er zijn studenten die de taal analytisch benaderen'', zegt Wiedenhof. ``Er zijn er ook die het puur op gevoel doen. Dat zijn de snelste leerders: die kunnen nog dat kinderlijke in zich wakker maken. Maar ze kunnen aan een ander niet uitleggen wat ze doen.''

verbuigingen

Hoe zit het met de zinsbouw? Het Mandarijn kent geen vervoegingen of verbuigingen. Je zou zeggen: dat is makkelijk. Lopen, loopt, liep, liepen, lopend, gelopen – in het Mandarijn is dat allemaal hetzelfde woord. Zoals ook vriend, vriendin, vrienden en vriendinnen met een en hetzelfde woord kan worden aangeduid. Want als het niet hoeft maakt het Mandarijn geen onderscheid tussen verleden, heden en toekomst, en evenmin tussen mannelijk en vrouwelijk, en enkelvoud en meervoud.

``Dat is een groot verschil met het Nederlands'', zegt Wiedenhof. ``In het Nederlands kun je niet in het midden laten of je een avondje op stap gaat met een vriend, een vriendin, een clubje vrienden of een clubje vriendinnen. Door de structuur van onze taal worden we gedwongen om dat te expliciteren. In het Mandarijn kun je dat voortdurend in het midden laten. Als het moet kun je het wel verder expliciteren, door bijvoorbeeld te zeggen `een groepje vrienden', dat is letterlijk: `vriend groep'. Het probleem met Nederlanders is dat ze vaak een soort hypercorrect Chinees praten, waarin ze elke keer als het om `vrienden' gaat `vriend groep' zeggen. Ook als het eigenlijk niet relevant is. Dat moet je dus afleren.''

Nederlanders hebben ook veel moeite met het loslaten van de werkwoordstijd. ``Wij willen steeds zeggen waar de werkwoordhandeling zich bevindt ten opzichte van het nu. Daar zijn we de hele tijd mee bezig. Je moet dat steeds mee-coderen, in het werkwoord. In het Mandarijn hoeft dat niet, en dat is voor Nederlanders aanvankelijk een heel ongemakkelijk, onwennig gevoel. Je bent als het ware je anker in de tijd kwijt. Je wilt de hele tijd zeggen: dat was gisteren. Ook dat moet je afleren.''

Hier staat tegenover dat in het Mandarijn wél andere tijdsaspecten worden uitgedrukt, namelijk op welke manier een gebeurtenis of handeling zich in de tijd voltrekt of in de tijd staat (los van het ankerpunt `nu'). Een eenvoudige zin als `Het water kookt' kan in het Chinees op twee verschillende manieren gezegd worden, al naar gelang of het water al een tijdje kookt, of dat het koken net is begonnen. Dergelijke nuances worden in het Mandarijn uitgedrukt door partikels, kleine bijwoordjes die heel in de verte misschien te vergelijken zijn met Nederlandse woordjes als `al' `nog' en `pas'. Het is voor Nederlanders heel moeilijk om greep te krijgen op deze nuances, waar het in het Chinees van wemelt.

En dan is er nog een ander lastig verschil met het Nederlands. Wij zijn gewend om onze zinnen op te bouwen rond een onderwerp en een gezegde. De relatie onderwerp-gezegde is de ruggengraat van de Nederlandse zin. In het Mandarijn draait het om een andere centrale relatie: die tussen wat taalkundigen `topic' en `comment' noemen. Wiedenhof geeft als voorbeeld het zinnetje `Nuli mai' (Slaaf verkopen). ``Dat wordt door een Nederlander al gauw opgevat als: de slaaf verkoopt iets. Maar dat hoeft helemaal niet. Het kan ook betekenen: de slaaf wordt verkocht. Zo'n zin betekent niet meer dan: het gaat om een slaaf, en er vindt verkopen plaats. Het kan allerlei dingen uitdrukken: de slaaf verkoopt het, de slaven verkopen we, in ruil voor slaven verkopen we het, aan de slaven verkopen we het, enzovoorts. Meestal zal uit de context duidelijk zijn om welke relatie het gaat. En als je het explicieter wilt zeggen, zijn er in het Mandarijn volop mogelijkheden om dat te doen. Maar als het niet hoeft, doe je het niet.''

Ook hier ligt voor Nederlanders het gevaar op de loer dat ze te expliciete en dus te omslachtige zinnen gaan maken.

omgekeerd

Als het Mandarijn zo moeilijk is voor Nederlanders, is het Nederlands dan ook lastig voor Chinezen? Wiedenhof lacht: ``Ja, want dan spelen dezelfde dingen, maar omgekeerd. Enkelvoud, meervoud. Mannetje, vrouwtje. De werkwoordstijden.'' Chinezen hebben het ook moeilijk met onze medeklinkerclusters – pr, str, kl – en met het feit dat het Nederlands heel veel verschillende klinkers heeft. Ook hebben ze moeite om het toonsysteem los te laten. Wiedenhof: ``Wat je ziet bij beginnende sprekers, is dat ze hun Nederlandse woordjes hebben geleerd met een bepaalde toon. Dus boek wordt dan bijvoorbeeld altijd met een hoge, vlakke toon uitgesproken – wat op ons overkomt als een vreemde intonatie.''

Jeroen Wiedenhof. `Grammatica van het Mandarijn', Bulaaq, 410 blz., ISBN 90 5460 094 2. Prijs: €79,50.

Zie www.wiedenhof.nl/ul/tk/pbl/gmd