Een kleine geschiedenis van een novembermaand: het moment waarop in Nederland de kelders opengingen

De moord op Van Gogh is een felle reactie op processen van secularisering en globalisering die zich over de hele wereld voordoen. Door deze ontwikkelingen kunnen wij, Nederlanders, ons het nationale navelstaren niet langer permitteren. De echte uitdagingen en gevaren van de 21ste eeuw zijn daarvoor te groot.

Hoe vertellen we het later onze kleinkinderen, de geschiedenis van die novembermaand van 2004? We zullen beginnen met het gevoel van gevaar, de intense kou die plotseling ons geschonden huis binnendrong. Het was een nieuw, onbekend gevaar, en dat maakte de angst nog groter. En het raakte met name ons – journalisten, politici, kunstenaars – persoonlijk in het hart. We kenden het slachtoffer immers maar al te goed. Als vriend, collega, buurman, vader, vijand, dorpsgek, antisemiet, schoft. Maar: onze dorpsgek, onze schoft. `Nederland brandt!' riepen sommige kranten de volgende ochtend. Dat was natuurlijk onzin. De Nederlanders waren diep geschokt, maar het was ónze journalistieke parochie die in vuur en vlam stond.

Die eerste uren waren we eensgezind in ons verdriet en in onze angst. We rouwden, ook over onze verloren onschuld – ja, we dansten toen nog als haasjes in de maneschijn in vergelijking met de rest van de wereld – en over het definitieve einde van ons optimisme en het veilige, knusse Nederland dat daarbij hoorde. Sommige politici en opinieleiders kwamen onder ongekend zware bewaking. Gezinnen moesten onderduiken. We waren solidair: dit ging uit boven alle meningsverschillen. Daarna gingen de wegen uiteen.

In Madrid vielen dit voorjaar bij een fundamentalistische aanslag 200 doden, maar de houding van pers en publieke opinie jegens de moslimbevolking bleef opvallend beschaafd. In Nederland gingen de kelders open, en de jarenlang opgespaarde vreemdelingenhaat – oh, wat waren we altijd politiek correct geweest – spatte naar buiten. De toon van de kranten vervuilde steeds meer: `moslimterrorisme' werd een vaste term – alsof we ooit spraken van een `christen-aanval' op Falluja of van een `jodenactie' in de Gaza-strook. Verslaggever Craig S. Smith van de de New York Times had grote moeite om het befaamde g-woord in voor Amerikanen acceptabele termen om te zetten: `bestiality with a goat'. De Nederlanders glimlachten. De wereldpers was verbijsterd.

Ondertussen vond het ene groteske incident na het andere plaats: Van Goghs vrienden, die een begrafenisfeest vierden met geiten `voor wie lust voelde', Sinterklaas die met een kogelvrij vest zijn intocht deed, Pim Fortuyn die officieel gekozen werd als grootste Nederlander van, let wel, álle tijden, een Veghelse jongen die als bekeerling de media onveilig maakte, de Russische regering die Nederland `om opheldering' vroeg. Ayaan Hirsi Ali had haar burgeroorlog terug, Theo van Gogh zijn klucht.

In de Amsterdamse straten, ook dat moet voor de historie worden genoteerd, heerste een totaal andere stemming. De doorsnee Amsterdammers waren diep geschokt, zeker. Maar ze lieten zich niet intimideren, niet provoceren en niet gekmaken. De ouderen waren de woede en rancune allang voorbij, een fase waar een deel van de elite nu pas aan toekwam. Voor de jongeren was de multiculturele samenleving een gegeven feit. Ze hadden Turkse vrienden, Marokkaanse collega's en Surinaamse geliefden, ze hadden altijd al zo geleefd. Twee verslaggeefsters van Het Parool liepen een dag lang zwaar gesluierd over straat. Ze werden een paar keer uitgescholden, maar verder werden ze overal netjes en vriendelijk behandeld. Een kennis R., die nogal eens op taxistandplaatsen rondhangt, meldde eerst grote woede, vervolgens een toenemende mildheid over ,,die hoofddoekmeissies die zo vreselijk hun best doen'' en ,,die ouwe mensen die er ook niks aan kunnen doen'', en al snel een acceptatie: ,,Je kunt ze er niet meer uitgooien, we moeten ermee leven.'' De kennis was later die week maar eens op een groepje van die `kakkerlakken' – Turkse en Marokkaanse chauffeurs – afgestapt. ,,Ze waren zo blij als jonge honden.''

Zo gingen R. en zijn stadsgenoten over tot een ritueel waar Nederlanders, inclusief de meeste nieuwkomers, erg goed in zijn: ze begonnen te pacificeren. Van Gogh was, bij mijn weten, het eerste slachtoffer van een godsdienststrijd sinds de Martelaren van Gorkum (1572), en voor het behoud van die vierhonderd jaar rust hebben de Nederlanders altijd erg hun best gedaan. Het stadsbestuur reageerde razendsnel, met oproepen, waarschuwingen, buurtregisseurs, talloze bijeenkomsten, en wat er verder maar voorhanden was om het kwaad te lijf te gaan. Buurten, kerken en moslimorganisaties speelden daarop in. Opnieuw werd de grote succesformule van dit land toegepast, de beproefde manier waarmee we als kleine, godsdienstig fel verdeelde natie de eeuwen hadden weten te overleven.

In de New York Times stond enkele weken eerder ook een reportage over de bijzondere manier waarop de Nederlandse luitenant-kolonel Kees Matthijssen en zijn militairen in hun stukje van Irak de vrede handhaafden: in open voertuigen, zonder helmen en zonnebrillen, vriendelijk groetend, de wapens neer. Matthijssen had zelfs een budget voor kleine hulpprojectjes. Het was een typisch Nederlandse manier van pacificeren en hij was, althans in dit gedeelte van Irak, buitengewoon succesvol. Soft is in dit soort situaties het tegendeel van laf. Voor het patrouilleren in een Iraakse achterbuurt zonder helm was heel wat meer moed nodig dan je verschansen in een gesloten pantserwagen. Net zoals er flink wat dapperheid nodig was om in die novembermaand, ondanks de ernstige en reëele bedreigingen, alomtegenwoordig te zijn als burgemeester of wethouder. Ik voelde, merkwaardig genoeg, ook iets van trots op mijn stad. Niet om wat er gebeurde, wel om wat er daarna níét gebeurde.

Zou het verhaal daarmee afgelopen zijn? Vormden deze gebeurtenissen enkel een fase in de eeuwenoude strijd tussen christendom en islam, die eindeloze opeenvolging van conflicten en perioden van wederzijdse desinteresse, een onvermijdelijk gevecht dat nu ook Nederland had bereikt? Ik denk het niet. Diezelfde geschiedenis leert dat christendom en islam helemaal niet op voet van oorlog hoeven te leven. Naast alle conflicten bestaat er ook een eeuwenlang traditie van vruchtbare uitwisseling – denk maar aan een dynamische stad als Constantinopel, eeuwenlang de feitelijke hoofdstad van Europa.

Was deze moord dan het zoveelste symptoom van de moeizaam verlopende integratie van de Noord-Afrikaanse immigranten in Nederland, zoals velen van de daken riepen? Ik geloof het evenmin. Al zou het integratieproces van de Marokkaanse bevolking volmaakt zijn verlopen, dan nog was de kans groot geweest dat op een kwade dag een Mohammed B. zou zijn opgestaan. Ook de soepele integratie van de zogenaamde Indische Nederlanders in de jaren '50 en '60 kon niet voorkomen dat een groepje Molukse jongeren een paar bloedige gijzelingsacties op touw zette. Mohammed B. gold eveneens jarenlang als een voorbeeldig geïntegreerde jongere. Hij en zijn geestverwanten maakten alleen wel deel uit van een internationaal netwerk dat, zoals een welingelichte bron me toefluisterde, ,,eng groot'' is. Het zijn de kinderen van de schotelantennes, en de bron van hun intense woede ligt op een bovennationaal niveau: het lijden van de Palestijnen en Tsjetsjenen, de tienduizenden Iraakse doden waaraan de westerse media nauwelijks aandacht schenken, het materialisme en de blinde arrogantie van de westerse cultuur, de ontwrichting, de vernederingen die moslims – ook in Nederland – ondergaan.

Laten we onszelf geen rad voor ogen draaien: dit gevaar is nieuw en van een geheel andere orde dan de integratieproblemen die Nederland eerder kende. Het is die woede waarop we een antwoord moeten zoeken. Ook in Parijs of Madrid had een Theo van Gogh gekeeld op straat kunnen liggen. En ook in Utrecht-Centraal hadden vier treinen tegelijk kunnen ontploffen.

De moord op Van Gogh is een historisch ijkpunt. Net als de herverkiezing van George W. Bush als president van de USA. Beide gebeurtenissen vonden plaats op dezelfde dag. Behalve de datum hebben ze nog een belangrijk aspect gemeen: ze zijn beide een felle reactie op het proces van secularisering dat zich over de hele wereld voordoet. Dat proces is nauw verweven met andere grondstromen van deze tijd: de modernisering, de globalisering en bovenal de massamigratie van platteland naar stad. In 1960 woonde tweederde van de wereldbevolking nog in boerengemeenschappen, in 2020 zal tweederde in een stad leven. Deze verschuiving heeft vermoedelijk even ingrijpende gevolgen als de historische omslag van de jagende mens naar de sedentaire mens, zo'n 12.000 jaar geleden. Het betekent een diepe breuk in tradities en leefstijlen, een ontworteling waarvan de omvang nog niet valt te overzien. De effecten zijn wel overal zichtbaar: in de behandeling van vrouwen, in imams die zich, als koppige boeren, vastklampen aan de dorpstaal en de dorpsgewoonten, in jongeren die oude zekerheden proberen te hervinden in een religieus fundamentalisme, in een nieuwe reactie op het secularisme.

Vooral in West-Europa, het meest ongelovige stukje van de wereld, komt dat hard aan. De immigratie van miljoenen moslims heeft overal de problematiek van geloof en ongeloof weer op scherp gezet. Het gaat daarbij om een fundamenteel waardenconflict: alleen al het ontbreken van een hiernamaals maakt het levensperspectief van seculieren volstrekt anders dan dat van religieuzen.

De Amerikaanse Muslim-Refusenik Irshad Manji, auteur van The Trouble with Islam, spreekt in dit verband zelfs over het ontstaan van een nieuwe `post-Verlichtings-moderniteit' in West-Europa. Wij, seculiere Europeanen, maken ons daar grote zorgen over, en terecht: worden zo niet grondwaarden van het seculiere humanisme, die sinds de Verlichting in de West-Europese politiek de overhand hadden, op de tocht gezet? Maar aan de andere kant, is het wel zo logisch en terecht dat de seculieren zich, in deze ongekende situatie, nog altijd laten leiden door hun oude trauma's met het Vaticaan en de protestantse staatskerken? Heeft Irshad Manji niet een punt, als ze schrijft: ,,Ook het secularisme kan dweperig zijn, missionair – durf ik het te zeggen –, religieus?''

Deze nieuwe tegenstelling verklaart, gedeeltelijk, ook de verwarring in het huidige Nederlandse publieke debat. Het gaat immers niet meer om links tegenover rechts, of om humanisten tegenover fundamentalisten, het gaat opeens ook om seculieren tegenover gelovigen. Na jarenlange vanzelfsprekendheid worden opeens weer seculiere dogma's ter discussie gesteld. In Trouw schreef Hans Goslinga bitter over de verliezers van de culturele revolutie van de jaren '60, de gelovige `achterblijvers', wier tradities en ethiek werden afgedaan als `kleinburgerlijk' of `folklore'. Nooit zijn er in deze `alles-moest-kunnen-campagne' momenten van reflectie geweest. ,,Ik vraag me af'', schreef Goslinga, ,,of ooit tot de naoorlogse generatie is doorgedrongen hoe scherp en pijnlijk deze cultuurbreuk is geweest.''

De discussie over de strafbaarstelling van godslastering was dan ook wel meer dan een gelegenheidsdebatje. Het ging de afgelopen week wel degelijk ergens over, van beide kanten, en het zou wel eens het begin van een omslag kunnen zijn. Net als in de Verenigde Staten zullen de seculieren – niet in de laatste plaats ook de seculiere partijen – zich erop moeten voorbereiden dat dergelijke vragen de komende tijd meer en meer de agenda zullen bepalen. Er zal, anders gezegd, op het gebied van ethiek en moraal een inhaalslag gemaakt moeten worden, juist en vooral binnen seculiere groeperingen. De discussies na de moord op Van Gogh kunnen daarvoor een aanzet zijn.

De geschiedenis kan ook anders verlopen. Angst is een logische reactie op een reëel gevaar, zeker als we dat gevaar niet of nauwelijks kennen. Maar angst kan ook worden losgekoppeld van het werkelijke probleem. Angstgevoelens kunnen worden opgeklopt tot een permanente geesteshouding, die vervolgens voor politieke doeleinden kan worden geëxploiteerd. Dit alles kan gemakkelijk leiden tot een selffulfilling prophecy: de angst voorkomt niet de situatie waarvoor men bang is, maar schept die juist. In de historie liggen de voorbeelden voor het oprapen.

Bij sommigen heerst op dit moment een sterke neiging om de muren rondom het vaderlandse fort zo hoog mogelijk op te metselen. Ons land zal zich daardoor steeds meer afsluiten van alle ontwikkelingen – slecht en goed – die in de rest van de wereld gaande zijn. Zo kunnen zelfs wij, nuchtere Nederlanders, terechtkomen in een gesloten, xenofobe fantasiewereld waarin onze hufterigheid en onze onkunde over heden en verleden als norm worden gesteld, waarin degenen die niet in de angstpsychose meehollen als `vijfde colonne' worden aangeduid, waarin discriminatie en racisme tot nieuwe grondwaarden worden verheven. Daaronder liggen dan de scherven van de jaren '60: een verloren zelfvertrouwen, een idealisme dat is omgeslagen in cynisme.

Karen Armstrong, een van de grote denkers over de verhouding tussen islam en moderniteit, beschrijft dit proces als een paradigmaverschuiving van de logos, de rede, met haar altijd nieuwsgierige, toekomstgerichte oriëntatie, naar de mythos, een magische, emotionele manier van denken die bovenal naar binnen is gericht, en die vooral in het verleden een richtsnoer zoekt voor deze verwarrende wereld. Dat gebeurt bij christenen en moslims, maar ook bij ons, kinderen van de Verlichting. Ook hier kan overtuiging omslaan in fundamentalisme.

Wie Nederland wil omvormen tot een vesting, reduceert de ingewikkelde tijd waarin we leven tot één grote binnenlandse angstfantasie. Het is een manier van denken die demagogen en politici goed uitkomt, maar die langs de werkelijke problemen heenschiet. Wij, in onze moderne westhoek van Europa, zijn gedoemd tot openheid en kwetsbaarheid. We zullen spijkerhard moeten zijn jegens degenen die onze gezamenlijke fundamentele waarden willen vernietigen, maar daarin moeten we precies en zorgvuldig opereren. We zullen tegelijkertijd onze rechtsstaat overeind moeten houden en onze medeburgers moeten verdedigen, niet in de laatste plaats de allerzwaksten: minderheden, allochtone vrouwen en kinderen. We zullen onbekende en soms pijnlijke maatregelen moeten accepteren, juist om belangrijke en zeldzame kwaliteiten te redden: onze pacificatie, met als nevenproduct onze befaamde tolerantie. En uiteindelijk zullen we naar de bron moeten: de ontworteling, de vernedering, de almaar toenemende woede van de niet-westerse wereld. Dit is een groot Europees probleem.

Wij, Nederlanders, kunnen ons het nationale navelstaren niet langer permitteren. De echte uitdagingen en gevaren van de 21ste eeuw zijn daarvoor te groot.

Schrijver en jurist. Oud-redacteur van de Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad en reportagemaker voor de VPRO. Door zijn boeken `Hoe God verdween uit Jorwerd', `De eeuw van mijn vader' en `In Europa' is hij inmiddels uitgegroeid tot Nederlands bekendste historicus.