Dwaalwegen in de geneeskunde

Op 12 oktober j.l. verdedigde Cees Renckens zijn proefschrift, getiteld: `Dwaalwegen in de geneeskunde; over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij' in de aula van de Universiteit van Amsterdam. Renckens is niet alleen vrouwenarts te Hoorn, maar vooral bekend als jarenlange voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Hij is beroemd om zijn encyclopedische kennis van alternatief en gevreesd om zijn scherpe tong en polemische stijl. De universiteit had dan ook een geharnaste commissie samengesteld om Renckens over zijn proefschrift aan de tand te voelen.

Dat proefschrift is een kloek boek van 460 pagina's, dat voor iedereen toegankelijk is via een handelseditie van Uitgeverij Bert Bakker. Het bevat niet alleen een onderhoudende analyse van het alternatieve circuit in Nederland, maar ook van het curieuze fenomeen van de modeziekten, gedefinieerd als ``substraatloze aandoeningen met een epidemisch karakter''. Substraatloos, d.w.z. zonder aantoonbare lichamelijke afwijkingen; epidemisch, omdat zulke ziekten komen en gaan.

Renckens' lijst van modeziekten bevat de bekende voorbeelden, zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME), maar ook kwalen met preciezer omschreven oorsprong, zoals de amalgaamziekte. Die zou ontstaan door toxische stoffen uit amalgaamvullingen en de vermeende schade door dit amalgaam heeft tot onnodige vullingvervanging geleid, een vrij dramatische en dure placebo-behandeling voor vage klachten. Er staan modeziekten op de lijst van Renckens die nieuw voor mij waren, zoals de postnatale depressie, het hyperventilatiesyndroom, het premenstruele syndroom, de bekkeninstabiliteit, en het postwhiplashsyndroom.

Het gros van de patiënten met deze kwalen heeft geen lichamelijke afwijking. Wie twijfelt, leze Renckens.

Renckens schrijft kritisch over modeziekten, maar bagatelliseert ze niet. ``Modeziekten veroorzaken echt lijden'', schrijft hij. Er is meestal geen sprake van simulatie. Als er ziektewinst wordt geboekt (en dat is vaak het geval) is dat onbewust. ``De lijders aan deze ziekten willen niet ziek zijn en willen het ook niet blijven.'' Dat is andere koek dan de Groninger koek die psycholoog prof. Bram Buunk laatst op zijn website liet zetten: Het trieste vindt Buunk dat mensen met dit soort ``ziektes'' (d.w.z. ME) de neiging hebben om zichzelf gelijk te stellen met écht zieke mensen, bijvoorbeeld reumapatiënten. ``Enige bescheidenheid past hier wel, denk ik.'' Dat deze oproep tot bescheidenheid beantwoord werd met een vloed van boze brieven is niet verwonderlijk.

Als toegift krijgt de lezer van Renckens' proefschrift nog een kroniek van alternatieve geneeswijzen en kwakzalverij in de periode 1973 tot 2003. Daaruit blijkt dat de bloei van alternatief over zijn hoogtepunt heen is. Het best komt dat tot uiting in het aantal huisartsen dat naast een reguliere praktijk ook alternatief behandelt. Na een top van ruim 9 procent in 1993 is dat aantal gestaag gedaald tot 5 procent in 2002. Men kan zich afvragen of deze daling niet mede te danken is aan de continue kruistocht van Renckens en zijn Vereniging tegen de Kwakzalverij tegen alles wat wazig en alternatief is. Wij zullen dat nooit weten, want de geschiedenis kent geen prospectief dubbelblind onderzoek.

Tijdens de promotie werd Renckens krachtig aangepakt door de commissie. Een commissielid vond het proefschrift te voorspelbaar: wetenschappelijk onderzoek hoort een avontuur te zijn, waarvan de afloop niet vaststaat en dat het risico draagt dat er iets anders uitkomt dan je verwacht. In dit proefschrift blijft dat risico minimaal, omdat Renckens overtuigd is van zijn eigen gelijk. Uiteraard liet Renckens dat niet op zich zitten. Hij wees erop dat hij al het Nederlandse onderzoek naar de effectiviteit van alternatieve geneeswijzen nauwkeurig had uitgekamd. Daarbij had best kunnen blijken dat sommige alternatieve geneeswijzen werken, maar dat was er niet uit gekomen.

Een andere opponente vond dat Renckens te luchtig langs het placebo-effect heen fietste. Ook al werken alternatieve geneeswijzen niet, zij helpen vaak wel. Hippocrates en Boerhaave hadden bijzonder weinig te bieden aan hun patiënten, omdat er nog geen effectieve geneeskunde was in hun tijd. Desondanks hadden zij groot succes als dokter en werden zij op handen gedragen door hun dankbare patiënten. Men zou toch minimaal toe moeten geven dat sommige alternatieve genezers over het charisma beschikken om een aanzienlijk placebo-effect te bewerkstelligen. Hoe dat placebo-effect tot stand komt zou beter onderzocht moeten worden.

Ook dit bracht Renckens niet van zijn stuk. Charismatische genezers profiteren niet alleen van het verwachtingspatroon van hun patiënten, maar ook van de tijd die zij beschikbaar hebben voor elke patiënt. Alternatief hoeft niet te pogen om binnen 10 minuten een plezierig en medevoelend gesprek te voeren met de patiënt en ook nog de medische status in te vullen, alle laboratoriumuitslagen te bekijken, de röntgenfoto's door te nemen, etc., etc. Een simpele oplossing is er niet voor dit dilemma, dat moest ook de opponerende oud-minister toegeven: ``Zouden wij onze specialisten even veel tijd geven voor de patiënt als de alternatieve genezer neemt, dan zou het hele nationale inkomen op gaan aan gezondheidszorg, als wij al over voldoende specialisten zouden beschikken.''

Renckens schrijft in zijn proefschrift zeer kritisch over het onderzoek naar de effectiviteit van alternatieve behandelmethoden. Hij is tegen, omdat onderzoek van onzinnige therapieën niet zinvol is. Daar zit iets in, maar ik vind dat de promovendus wel erg streng in de leer is. Uiteraard heeft niemand behoefte aan verder wetenschappelijk onderzoek over homeopathie: de theorie is absurd en aan het effect van oneindig verdunde geneesmiddelen is voldoende onderzoeksgeld verspild. Er komen echter steeds nieuwe alternatieve middelen op de markt en die moeten wel degelijk worden onderzocht, ook als men niet verwacht dat dat onderzoek een positief resultaat gaat opleveren.

Daarbij komt dat er soms een politieke noodzaak is om een niet werkzaam gebleken behandelwijze nogmaals te onderzoeken, omdat veel mensen er in geloven en politici nieuw onderzoek vragen. Een mooi historisch voorbeeld is de Moerman-dieettherapie van kanker, een voorbeeld dat wat onderbelicht blijft in het proefschrift van Renckens. Dat deze therapie waardeloos was, had de Commissie-Delprat in 1956 al aangetoond. Desondanks wist de charismatische Vlaardingse huisarts Cornelis Moerman zoveel aanhang te verwerven, dat de Tweede Kamer in 1979 een Kamerbreed gesteunde motie aannam die om een nieuw onderzoek vroeg, een gênant dieptepunt in onze parlementaire democratie.

Het Koningin Wilhelmina Fonds (KWF) kon deze politieke druk niet weerstaan en vroeg zijn Wetenschappelijke Raad voor de Kankerbestrijding om een onderzoeksprotocol op te stellen. Morrend voldeed de Raad aan dit verzoek, maar schreef daar wel bij dat er geen enkele wetenschappelijk reden was om de Moerman-therapie nogmaals te onderzoeken. Toch stelde het KWF een miljoen gulden beschikbaar om het onderzoeksprotocol uit te voeren. Dat er van dit onderzoek niets terecht is gekomen, omdat de Moerman artsen onderling te veel ruzie maakten, doet niets af aan het feit dat maatschappelijke vraag en politiek onbenul het soms toch noodzakelijk maken om een apert onzinnige alternatieve therapie te onderzoeken.

In Amerika heeft politieke druk geleid tot een National Council for Complementary and Alternative Medicine (NCCAM), ondergebracht bij de National Institutes of Health (NIH). Renckens schrijft daar laatdunkend over, maar de plaatsvervangend directeur van NIH, Michael Gottesman, is enthousiast: Al het onderzoek dat het NCCAM doet is van hoge kwaliteit en tot nu toe heeft geen enkele van deze onderzoeksprojecten een positief resultaat opgeleverd. Gottesman denkt dat het onmogelijk is om te voorkomen dat politici grote sommen geld aan alternatieve schertstherapieën besteden. Dan maar liever via NIH, waar de kwaliteit van het onderzoek bewaakt kan worden.

Renckens is wel eens een Don Quichote genoemd vanwege de ijver en vasthoudendheid waarmee hij jaar in jaar uit de alternatieve windmolens te lijf gaat. Unfaire kritiek vind ik dat. Die windmolens bestaan echt en zij richten echte schade aan. Het is mooi dat er dokters zijn die onvermoeibaar iedere nieuwe vorm van publieksverlakkerij aan de kaak stellen en die zorgen dat er toegankelijke, kritische informatie beschikbaar is over elk alternatief hersenspinsel. Ik hoop dat de doctorstitel Renckens niet milder maakt en dat hij de Quacksalvers en Broddelaers, om termen uit 1635 te gebruiken, effectief zal blijven bestrijden.