De bizon was al op zijn retour voor de laatste IJstijd

De almaar groeiende bizonpopulatie van Noord-West-Canada, Alaska en Siberië stortte ongeveer 37.000 jaar geleden als een kaartenhuis ineen. Dat blijkt uit een reconstructie van een omvangrijk internationaal onderzoeksteam onder leiding van Adam Cooper van het Ancient Biomolecules Centre in Oxford. Het team analyseerde het mitochondriaal DNA uit 490 verschillende fossiele botfragmenten van bizons en kon zo nauwkeurig de historische verspreiding en populatieomvang reconstrueren. De grote slachting onder de bizons vond kennelijk al plaats voordat de mens, omstreeks 15.000 jaar geleden, voor het eerst voet zette op Noord-Amerikaanse bodem (Science, 26 nov.).

Intensieve bejaging door de mens wordt vaak genoemd als oorzaak van het (bijna) uitsterven van grote zoogdieren in noordelijke klimaatzones, zoals de bizon, de mammoet en de sabeltandtijger. Maar dat lijkt in het geval van de bizon niet op te gaan. De aantallen Noord-Amerikaanse bizons blijken al gedecimeerd nog voordat de mens via de Beringstraat Noord-Amerika intrekt. Het restant van de eens zo talrijke bizon wordt overigens uiteindelijk wel op het randje van uitsterven gebracht door toedoen van de mens. Honderd jaar geleden – na de onbegrensde jacht door Buffalo Bill en consorten – waren er nog minder dan 1500 bizons in leven. Tegenwoordig bestaan er nog twee rassen van de Noord-Amerikaanse bizon. Dankzij speciale fokprogramma's is het aantal weer groeiende.

Uit het genetische onderzoek door Cooper en zijn medewerkers blijkt nu dat de recentste gemeenschappelijke voorouder van alle onderzochte bizons ongeveer 136.000 jaar geleden moet hebben geleefd. Kort daarvoor of rond die tijd moeten de bizons vanuit Azië naar Noord-Amerika zijn overgestoken om vervolgens tijdens het interglaciaal van 130.000 tot 75.000 jaar geleden verder zuidwaarts te trekken, waarna zij zich verspreidden over de Verenigde Staten.

De historische populatieontwikkelingen zijn aan de hand van het DNA goed te volgen. Tijdens het laatste glaciale maximum (22.000 tot 18.000 jaar geleden) raakte de zuidelijke Amerikaanse populatie geïsoleerd van de Aziatische bizons door oprukkende ijsmassa's. Het ijs trok zich later weer terug en rond 14.000 jaar geleden ontstond een ijsvrije corridor. Uit de DNA-analyse blijkt dat het toen vooral de zuidelijke bizons waren die hun leefgebied in noordelijke richting uitbreidden. De genetische uitwisseling tussen noordelijke populaties en de bizons van centraal Noord-Amerika werd vanaf 10.000 jaar geleden verhinderd door het ontstaan van een groot sparrenwoud in Alberta en de ontwikkeling van uitgestrekt veen in het westen en noordwesten van Canada.

Uit het onderzoek blijkt verder dat de Europese neef van de bizon, de wisent, niet, zoals eerder gedacht, aan de basis staat van de bizonfamilie. Genetisch gezien moet de Europese bizon direct afstammen van de Amerikaanse bizon. De voorouders van de Europese bizon moeten dus een of meer keer vanuit Noord-Amerika terug westwaarts zijn getrokken naar Azië en daar een nieuwe populatie hebben gevormd. Overigens bestond er daarna ook weer genetische uitwisseling in de andere richting.