Beslissing Kofi Annan was weloverwogen

In uw artikel `Geen motie van wantrouwen tegen Annan' (NRC Handelsblad, 20 november) verwijst u onder meer naar de beslissing van de SecretarisGeneraal van de Verenigde Naties inzake de klacht van vermeende seksuele intimidatie tijdens een formele vergadering in 2003, die een UNHCR-medewerkster in april dit jaar tegen mij had ingediend. Direct na het publiek worden van de klacht in mei j.l. heb ik publiekelijk verklaard dat er van ongepast gedrag van mijn zijde geen sprake is geweest. In juli sloot de SG deze zaak met de conclusie dat haar klacht ongegrond was gebleken.

Hij ging daarbij niet over één nacht ijs. Na ontvangst van het rapport van het interne onderzoeksbureau van de VN (OIOS) dat een preliminair onderzoek had uitgevoerd, vroeg de SG mij om een antwoord gebaseerd op een grondige analyse van het OIOS-rapport. Bovendien won hij advies in. Pas daarna besloot hij de zaak te sluiten.

Zowel voordat de SG tot deze beslissing kwam als erna was er sprake van lekken naar de pers. OIOS waarborgde niet de vertrouwelijkheid van het onderzoek; en aan niet geverifieerde geruchten werd een zeker gezag gegeven toen het hoofd van OIOS, tevens leider van het onderzoek, zichzelf toegankelijk maakte voor een Nederlandse journalist in Genève, overigens niet van deze krant. Zo ontstond onder meer de publiekelijke misvatting dat er sprake zou zijn van nog vier vergelijkbare gevallen. Het betrof hier de zienswijze van OIOS. Er kwamen echter geen andere klachten en ook de bestaande klacht bleek ongegrond.

De ongegrondheid van de tegen mij ingediende klacht bleek onder meer uit de verklaringen van twee aan het eind van de betreffende vergadering nog aanwezige stafleden die getuigden niets te hebben waargenomen wat leek op seksuele intimidatie. Beide getuigen werden door OIOS echter gediskwalificeerd. De lekken naar de pers waaraan ook OIOS had bijgedragen en die zij overigens gelastte niet te onderzoeken hadden inmiddels immers een sfeer geschapen waarin er voor OIOS geen weg terug leek: de Hoge Commissaris werd beschuldigd van seksuele intimidatie en er zouden wel spoedig meer vergelijkbare klachten tegen hem volgen. Dit zette de toon voor het rapport dat OIOS voor de SG opstelde en dat het vooringenomen standpunt van OIOS moest rechtvaardigen. De verklaringen van de twee door OIOS gehoorde getuigen die de beschuldiging tegen mij niet ondersteunden, pasten daar niet bij.

De SG liet zich echter niet misleiden. Na bestudering van de zienswijze van OIOS, na lezing van mijn antwoord en van een grondige analyse van de gebreken van het OIOS-rapport alsmede na het inwinnen van advies, concludeerde hij dat de klacht tegen mij ongegrond was gebleken.

Hoewel de SG dus midden juli tot een weloverwogen en zorgvuldige conclusie kwam en de zaak sloot, bleken de lekken naar de pers, evenals de vooringenomenheid van OIOS, ook in de maanden erna nog negatieve gevolgen te hebben.

Inmiddels heeft de klaagster haar beroep ingetrokken en heeft de SG onlangs zijn conclusie in deze zaak publiekelijk herbevestigd en onderstreept dat deze weloverwogen was. Daarmee is de zaak bijna zeven maanden nadat de klacht werd ingediend dan toch definitief gesloten.