`Aandacht in de krant gaf een enorme kick'

`Michael' (29) was tussen zijn zestiende en negentiende een van de fanatiekste leden van het extreemrechtse CP'86. De huidige beveiliger vertelt over zijn motieven en ervaringen. Om problemen op zijn werk te voorkomen wil hij anoniem blijven.

,,Mijn vader liep weg toen ik drie jaar was. Mijn moeder was depressief en onverschillig. Ze lag zestien uur per dag op het matras in de woonkamer te slapen. Het was nooit gezellig thuis. Door haar depressiviteit hadden we ook geen contact met de rest van de familie. Ik voelde me verloren. Ik kon goed leren, zat op de havo, maar ik spijbelde heel vaak. Ik had totaal geen toekomstplannen. Ik ben ook een keer weggelopen van huis. Ik was toen vijftien. Ik kon een nacht bij de jongerenhulpverlening JAC terecht, daarna moest ik terug naar huis. Met de kennis van nu kan ik zeggen dat ik om hulp schreeuwde, maar er was niemand.

Ik wilde graag ergens bijhoren. Op mijn zestiende kwam ik oudere jongens tegen. Die hadden wapens. Stoer. Zo wilde ik ook worden. Door de aanslagen op vreemdelingen in Oost-Duitsland was er veel aandacht voor neonazi's Ik was ondertussen van school afgegaan. Ik liet mijn haar millimeteren, droeg een Keltisch kruis en zwarte kisten.

Ik meldde me aan bij CP'86. Ik was meteen welkom. Ik werd in vertrouwen genomen, ook door Tim Mudde, destijds de leider van CP'86. Ze betrokken me bij van alles: acties, folderen. Bij de bijeenkomsten waren er nooit meer dan vijftig jongens aanwezig. Bijna altijd dezelfde gezichten, jongens van het platteland en uit Rotterdam. Bij CP'86 werd een vijandbeeld over allochtonen gekweekt, terwijl de meeste jongens helemaal geen allochtonen kenden. Daardoor werd het makkelijk om acties tegen ze te voeren.

Bij CP'86 kon ik mijn agressie kwijt. Ik werd gewaardeerd, ik kreeg erkenning. We bekladden met een spuitbus racistische leuzen op muren, gooiden varkenskoppen naar binnen bij moskeeën. Ik deed niet aan brandstichtingen. Ik wilde niemand verwonden of doden, bij de acties ging het me om de spanning. Elke actie van ons werd aanvankelijk de volgende dag breed uitgemeten in de krant. Dat gaf een enorme kick. Een spuitbus van tweeguldenvijftig leverde een bericht op de voorpagina's op.

Ik ben drie keer veroordeeld. Twee keer kreeg ik geldboetes opgelegd voor het folderen van racistisch materiaal. Een keer moest ik twee maanden zitten wegens openlijke geweldpleging. Ik had in een snackbar een donkere persoon mishandeld. Ik heb ook een moskee in Amsterdam vernield, maar daar ben ik nooit voor opgepakt. De veroordelingen schrokken me niet af. Die zag ik juist als een prestatie.

Mijn moeder stond onverschillig tegenover mijn lidmaatschap van CP'86. Aanvankelijk steunde ze me zelfs. Toen de politie steeds vaker aan de deur kwam, bijna wekelijks, begon het haar te vervelen. Op een gegeven moment haalden de acties de kranten niet meer. Ik kon er niet meer over opscheppen. Daarop ben ik eruit gestapt. Ik was 19 jaar.

Mijn weinige normale vrienden en collega's hebben me enorm geholpen. Ze hielpen me met de inschrijving bij de woningbouwvereniging zodat ik een eigen woning kon krijgen. Ze moedigden me aan om mijn rijbewijs te halen. Wat was ik trots toen ik slaagde voor het rijexamen. Ik had de CP'86 en de acties tegen allochtonen niet meer nodig.''