Zilveren schalen met dubbele bodems

Dansende boeren, een galante officier die een vrouw het hof maakt, een meisjes met een liefdesbrief in de hand, soldaten in hun wachtlokaal, een keisnijder met plezier in zijn vak: het zijn maar een paar thema's die tot de genreschilderkunst gerekend worden. Het is een restcategorie. Alles wat niet tot portret, landschap, stilleven, zeegezicht behoort en min of meer als voorstellingen uit het dagelijks leven kan worden opgevat, hoort hierbij.

Deze voorstellingen zijn in Nederland ongemeen populair geweest en ze zijn dat altijd gebleven. Lang werden ze opgevat als realistische taferelen, snapshots, een venster op het verleden, een spiegel van de tijd. Aan dat realistische gehalte wordt al zo'n halve eeuw gemorreld. Natuurlijk, de afzonderlijke onderdelen zijn met grootst mogelijke precisie geschilderd. Nergens ter wereld kon men zo overtuigend een bakstenen muurtje met strijklicht, een satijnen japon, een door een venster gefilterde zonnestraal op een wang, de reflectie van een oosters tapijt op de onderkant van een zilveren schaal weergeven. Maar de hele compositie was een weloverwogen constructie van een situatie die nooit heeft bestaan. Maar wat betekende zo'n voorstelling? Zat er een boodschap achter die uitgetrapte pantoffel, die mosselschalen op de vloer, dat merkwaardige handgebaar? De iconografische benadering maakte vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw grote opgang. In combinatie met contemporaine literaire teksten kon men bepaalde scènes, houdingen, gebaren en voorwerpen, duiden en er een betekenis in terugvinden. De erudiete en voorzichtige wijze waarop E. de Jongh dit soort interpretaties heeft gedaan had grote invloed, maar schoot door. Iedereen zag ineens in elk geschilderd object dubbele bodems. De reactie bleef dan ook niet uit. Sommige kunsthistorici gingen zich weer concentreren op de stijl en op de techniek, anderen op de hardnekkige beeldtradities (in feite komt er in de genreschilderkunst maar een beperkt aantal thema's voor), weer anderen richtten zich op het analyseren van de afgebeelde materiële zaken. De interieurs bijvoorbeeld, zijn doorgaans fictief. En de wijze van inrichting is ook niet realistisch. Een huiskamer met marmeren vloertegels, goudleerbehang, koperen kroonluchters, dat soort dingen, kwam, als we er contemporaine boedelinventarissen naast leggen, niet voor. En dan is er kleding. Studie naar mode laat ook zien dat op vele genrevoorstellingen personen voorkomen die zeldzame of ouderwetse kleding dragen. De tijdgenoot van de schilder moet dat direct hebben gezien en hebben gelachen om de anachronismen. De wetenschap dat het fictieve gehalte hoog is heeft niet kunnen verhinderen dat films als Girl with a Pearl Earring dit soort schilderijen juist als werkelijkheidsgetrouw overneemt. Zo blijven we naar een zeventiende eeuw kijken die nooit heeft bestaan.

De Amerikaanse hoogleraar kunstgeschiedenis Wayne Franits schreef over deze genreschilderkunst een gedegen standaardwerk, voorzien van ruim tweehonderd afbeeldingen. Hij deelde de zeventiende eeuw op in drie moten en bespreekt in elke periode de algemene geschiedenis en daarna per stad de schilders die er actief waren, zoals Hals, Steen, Vermeer en Ter Borch, maar ook minder bekenden als Jacob Duck of Hendrick Sorgh. Hij doet dat met grote kennis van zaken en hij heeft ook een mooie keuze uit hun werk gemaakt.

In het interpretatiedebat neemt Franits een middenpositie in. Hij is meer gericht op de thematische ontwikkelingen en op schilderkunstige meesterschap dan op duiding. Slechts af en toe komt hij met een voorzichtige interpretatie. Het zoeken naar betekenissen wordt bemoeilijkt door het gebrek aan uitspraken over die kunst. Tijdgenoten hebben hierover weinig geschreven, al is er één ding dat telkens naar voren komt. De uitdaging om zo overtuigend mogelijk mens en materie te schilderen om zo het oog van de beschouwer te bedriegen. Dat is hun tot op heden uitstekend gelukt.

Wayne Franits: Dutch Seventeenth-Century Genre Painting. Yale University Press, 328 blz. €59,70