Waarheid is iets voor accountants

Op het omslag van Witte liefde, de zesde roman van Wanda Reisel, kijkt een vrouw in avondjapon enigszins fronsend het beeld uit. Wie is die vrouw? Ik dacht eerst dat het Wanda Reisel zelf was, maar dan wat jonger en wat breder in de heup dan nu. Maar inmiddels denk ik dat die vrouw op die stemmige foto haar moeder is, die twee jaar geleden overleed, en met wie zij een treffende gelijkenis vertoont.

Aan die moeder, die hier Ro (van Rosa) wordt genoemd, is de roman gewijd. We bevinden ons op Curaçao, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Vader Reisel heet hier Rudi Weller en Wanda zelf heet Ingi (van Ingrid) en is enig kind. De roman is gewijd aan de liefde. Maar pikant genoeg niet aan de liefde tussen moeder en vader Weller, maar die tussen Ro en Bob Krone, een vriend des huizes, zelf ook getrouwd. Overspel dus, buitenechtelijke liefde. Heftige liefde bovendien. Witheet, zou je kunnen zeggen. Witte liefde lijkt betrekking te hebben op de uitdrukking `al te wit is gauw vuil'. Ofwel: al te grote liefde is niet bestendig. Aan Ro lag het niet. Zij had haar man en kind willen opgeven om met Bob een nieuw leven te beginnen, maar hij schrok terug voor zoveel dadendrang en bleef, hoe smoorverliefd ook, dan toch liever bij zijn vrouw en twee zoons. Ro koos vervolgens eieren voor haar geld en keerde met man en dochter terug naar Nederland.

Reisel veroorloofde zich bij het schrijven de nodige vrijheden. Zij veranderde de namen. Haar moeder was verpleegster en niet beeldhouwster, zoals in de roman. Haar vader was internist en niet architect. Het gezin Reisel telde niet één, maar zes kinderen. Zou Bob Krone ook aan haar fantasie ontsproten zijn, of ging moeder Reisel werkelijk vreemd met de beste vriend van haar man? Haar alter ego Ro zegt ergens dat `de waarheid' iets is voor accountants en niet voor gewone mensen.

Het doet er natuurlijk ook niet echt toe of Reisel wel de waarheid spreekt over haar familieverleden. Wat telt is of het verhaal over deze grote, op niets uitlopende liefde in 2004 op eigen benen kan staan. En dat is toch enigszins een probleem. Deze Curaçaose liefdesgeschiedenis heeft iets halfslachtigs. Aan de ene kant weet Reisel aannemelijk te maken dat er vanaf het eerste oogcontact hevige wederzijdse gevoelens in het spel zijn tussen Ro en Bob. Omdat zij elkaar niet in het openbaar in de armen kunnen vallen, moeten zij het hebben van gestolen momenten op geheime plaatsen.

Aan de andere kant spelen deze opwindende liefdesperikelen zich af tegen een ietwat `Indisch' aandoende achtergrond, die zonder noemenswaardige ironie wordt gepresenteerd. Niet helemaal tempo doeloe, maar wel iets wat daar sterk aan doet denken. In het Curaçao van de jaren vijftig hebben goed gesitueerde blanken het voor het zeggen. Zij hebben goedbetaalde banen, mooie huizen en dure auto's en ze mogen ook best wat rotzooien met `de meisjes van hier'. Als er al een enkele keer een zwarte man of vrouw in beeld verschijnt, dan is dat om een blanke geld af te persen, om als chauffeur voor blanke kinderen te dienen of om als primitief klankbord te fungeren voor experimenten met blanke, klassieke muziek. Ook de vrouwen van de architecten, de juristen, de journalisten en de artsen vervullen stereotiepe rollen. Zij leiden een societyleven en zijn lid van leeskring, tennis-, scherm- of zeilclub. Ze liggen op stretchers in de tuin of op het strand en bestuderen modebladen. Ze boetseren wat, of ze bakken nog maar eens een taart, al of niet geholpen door het dienstmeisje (`Zonder Gwenny ben ik nergens').

`Een eeuwenoude hofcultuur woedt in volle heftigheid in dit tropenparadijs', meldt Ro, zonder verder commentaar. Wat er nu precies zo paradijselijk is aan Curaçao worden we niet gewaar. De zon? De ongerepte natuur? De taal? Het reliëf? Couleur locale is nooit Reisels sterkste punt geweest. Het valt niet mee voeling te krijgen met haar romanfiguren of met hun belevenissen. Neem bijvoorbeeld Bob, die over zijn autistische zoontje opmerkt dat er eigenlijk niet van een zoon gesproken kan worden. `Meer een lastig huisdier dat je in een sentimentele bui uit het asiel hebt meegenomen'. Dat klinkt niet erg sympathiek, zacht gezegd. Er sluipt wel vaker iets ongelukkigs in de metaforen van Reisel. Zo kan het beeld van een mooie vrouw zich in iemands hoofd dringen, `als een teek in een hondenvacht'.

De levendigste passages in Witte liefde spelen zich niet af op het warme Curaçao, maar in het kille Nederlandse mortuarium, misschien wel omdat daar de omgeving er echt niet meer toe doet. De roman begint en eindigt er. Ro ligt in haar kist, in afwachting van haar begrafenis. Ze leeft niet meer, maar is ook nog niet helemaal dood, want ze kan nog denken. Haar gedachten zijn nuchter en geestig. `Een dode moet niet kinderachtig doen', meent ze. Als haar tijd gekomen is, zal ze ook echt gaan. Maar niet voordat ze ons nog een laatste tropische verrassing heeft bezorgd.

Wanda Reisel: Witte liefde. Querido, 224 blz. €16,95