Overleven door niemand te zijn

Aan het eind van de negentiende eeuw brachten de Britten grote aantallen Indiërs naar hun koloniën in Oost-Afrika, om daar spoorlijnen te bouwen. Eén van hen was de grootvader van de schrijver MG (Moyez) Vassanji, die op zijn beurt in zijn jeugd naar Canada emigreerde. De `dubbele migrant' Vassanji verloochent zijn wortels niet: zijn boeken spelen in de Indiase gemeenschappen van Kenia en Tanzania.

Een Canadees die over Indiërs in Afrika schrijft; voor Europese lezers is dat wat verwarrend. Het zou de reden kunnen zijn dat nooit eerder een roman van Vassanji in het Nederlands werd vertaald, terwijl hij in eigen land nogal wat faam geniet. Voor The in-between world of Vikram Lall, zijn vijfde boek, ontving Vassanji in 2003 de Giller Prize, Canada's belangrijkste literaire onderscheiding, waarbij hij bekendere landgenoten als Margaret Atwood en Ann-Marie Macdonald achter zich liet.

The in-between world of Vikram Lall begint omineus. Vikram Lall omschrijft zichzelf als `een van de meest corrupte' figuren van Afrika, `een bedrieger van reptielachtige sluwheid', en toch: `een tamelijk gewone man'. Hij doet ons zijn levensgeschiedenis uit de doeken, vooral zijn jeugd. Overdag lijkt alles idyllisch in het Keniase provincieplaatsje Nakuru van 1955. De Britten doen boodschappen bij de Indiase middenstand, de Afrikanen staan een trapje lager op de sociale ladder, maar voor de kinderen tellen de verschillen niet; hun spel is veel belangrijker. Maar 's nachts als de Mau Mau hun bloedige moorden plegen, verandert Nakuru in een stad van doodsangst. En Vassanji weet goed te beschrijven hoe deze schizofrene wereld er door kinderogen uitziet; alsof er kilometers afstand bestaan tussen dag en nacht.

De politie waarschuwt de Indiase gemeenschap goed op de wapens te passen, want de Mau Mau steelt ze om te moorden. De kleine Vikram verliest zijn onschuld als hij zijn radicaal-progressieve oom ziet met het geweer van zijn vader, een diefstal waarvoor hun trouwe Afrikaanse bediende eerst bont en blauw is geslagen en vervolgens met onbekende bestemming is afgevoerd. Na een gruwelijke moordpartij in hun omgeving verhuist het gezin naar Nairobi, zodat Vassanji het revolutionair elan en het optimisme van net na de Keniase onafhankelijkheid (1963) kan beschrijven. Jomo Kenyatta is aan het bewind. Voor tientallen begaafde Kikuyu's, (Kenia's grootste volk) komt het voorheen ondenkbare in zicht: een bestuurlijke carrière, meehelpen aan de opbouw van het land. Njogoro, het speelkameraadje van Vikram en zijn zus Deepa, is één van hen. Maar de liefde tussen Njogoro en Deepa is de Indiase ouders net een stap te ver. Vikram beziet hun passie van een afstand. Zelf is hij tot passie of partij kiezen niet in staat.

Vandaar dat hij zo'n makkelijke prooi is voor de krachten die al snel korte metten maken met de hoop en potentie van het jonge Kenia. Als gezagsgetrouw ambtenaar blijkt Vikram Lall zeer bruikbaar om corruptiegeld weg te sluizen. Zó bedreven wordt hij in het verdoezelen van de vuile zaakjes van zijn superieuren, dat hij het tot de top van 's lands zwendelaars schopt.

Verhoudingsgewijs neemt Vassanji minder ruimte voor dit deel van het verhaal, maar dat het zoveel minder uit de verf komt heeft een andere reden. Vikram Lall is nu eenmaal niet van het type Idi Amin, het schilderachtige kwaad dat romanschrijvers inspireert tot even kleurrijke boeken (zoals Moses Isegawa's Slangenkuil, of Giles Fodens The last king of Schotland). Hij is van het soort dat Afrika nog altijd teistert; de gezichtsloze functionaris die geen weerstand kan bieden aan de machtswellust van zijn eigen kliek. Niet dat dat zo makkelijk is; Vassanji laat zien dat wie in een tribale of cliëntelistische samenleving wél zijn individueel moreel kompas volgt, dit vaak met de dood moet bekopen. Daarmee werpt hij een scherpe blik op zowel het postkoloniale als het moderne Afrika.

Vassanji's hoofdpersonen belichamen daarnaast de Keniase geschiedenis zonder in voorspelbare schema's te vervallen. De teleurstelling over de verrotting van de Keniase staat treft net zo als het onheil en het optimisme eerder uit het boek. Extra jammer dus dat het de schrijver niet lukt om van zijn exemplarische nobody Vikram Lall een levend figuur te maken. In zijn streven naar een uitgebalanceerde compositie en door zijn formele stijl blijft hij mét zijn hoofdpersoon te veel op de vlakte.

Toegegeven, in zekere zin maakt vlakheid deel uit van de tragiek van dit personage. Dat overleeft immers alleen door niemand te zijn, door nooit te kiezen. Op zijn oude dag is er in Vikram Lalls ambtelijke relaas weliswaar een zwakke wil te bespeuren om beoordeeld te worden, maar zichzelf beoordeelt hij niet. `Does a bank, a croupier, need to be moral?', vraagt hij zich slechts af. Dat Vassanji geen poging doet die vraag te beantwoorden, is misschien wel realistisch, maar ook onbevredigend. Zo blijft Vikram Lall ver bij ons vandaan, opgesloten in zijn niemandsland.

MG Vassanji: The in-between world of Vikram Lall. Canongate, 405 blz. €18,95. Vertaald door Rob Kuitenbrouwer als De tussenwereld van Vikram Lall, De Bezige Bij, 446 blz. €22,50