Noem het geen geslachtsziekte

De homobeweging heeft altijd een dikke vinger in de pap gehad bij de Nederlandse aids-bestrijding. Het aids-veroorzakend virus moest worden bestreden, maar dat mocht niet leiden tot stigmatisering van homoseksuelen, Annet Mooij laat in haar boek over de geschiedenis van aids in Nederland prachtig zien dat een ouderwetse infectieziektekundige aanpak van de infectieziekte aids in Nederland nooit heeft bestaan. Aids mocht geen geslachtsziekte heten. En bovenal: er mochten geen risicogroepen worden aangewezen, want dat zou toch weer de aandacht op de homo's vestigen. Mooij deed archiefonderzoek en interviewde de meeste mensen die vanaf 1982 – toen de eerste Nederlandse aids-patiënt in het AMC in Amsterdam werd opgenomen en stierf – betrokken waren.

Zien ze een infectieziekte die bij seksueel contact is overgedragen, dan willen echte infectieziektekundigen de partner van de patiënt informeren en contactonderzoek doen naar andere sekspartners. Dat gebeurde rond hiv allemaal niet. De dreigende epidemie werd bestreden vanuit de gedachte dat de doelgroep zelf zijn gedrag wel zou veranderen. Heb geen anale seks, en als je het toch doet, dan met condoom. Dat was halverwege de jaren tachtig de voorlichtingsboodschap aan de bedreigde homoseksuelen. Of die boodschap zin had bij het deel van de doelgroep dat in enquêtes aangaf in de voorgaande maand soms wel tot twintig verschillende, vaak anonieme sekspartners te hebben gehad, valt te betwijfelen.

Roel Coutinho, hoofd volksgezondheid van de Amsterdamse GG&GD, heeft tegen die tijdgeest in de infectieziektekundige aanpak bepleit. Geen gezeur, we moeten een ernstige epidemie afwenden, was zijn idee. Dat leidde tot hevige conflicten, beschrijft Mooij. Bloed van 800 homoseksuelen, begin jaren tachtig (voordat aids bekend was als homoziekte) verzameld voor een onderzoek naar hepatitis B-besmetting, testte hij op hiv toen er in 1985 een test op het aids-virus beschikbaar kwam. Zonder de bloedmonsters te anonimiseren, zonder toestemming te vragen aan de proefpersonen, terwijl beloofd was dat het bloed na de hepatitistest vernietigd zou worden. Dat was begin 1985. Coutinho was lid van het Landelijke Aids-coördinatieteam dat in die beginjaren van de epidemie eigenlijk het beleid uitstippelde. Een paar mensen van de 800 waren met hiv besmet. Coutinho kwam er zo op illegale manier achter dat het aids-veroorzakende virus eind jaren zeventig in Nederland moest zijn geïntroduceerd. Toen het testwerk bekend werd, ontstond een rel die Coutinho bijna de kop kostte als lid van het coödinatieteam.

Later, in 1989, toen de institutionele Nationale Commissie Aidsbestrijding (NCAB, dat bestond van 1987 tot 1995) het werk van het coördinatieteam had overgenomen, werd Coutinho alsnog aan de dijk gezet. Hij gruwde van Vrij-veiligcampagnes die de NCAB goedkeurde en die zowel homo's als hetero's ertoe moesten bewegen voortaan met condoom te vrijen. De officiële boodschap was dat het besmettingsrisico was gekoppeld aan seksuele handelingen, niet aan risicogroepen, zoals naaldendelende drugsspuiters en homo's die van onbeschermde anale seks houden. In zijn inaugurele rede als hoogleraar infectieziekten presenteerde Coutinho zijn gehoor de besmettingskans van een heteroseksuele man of vrouw die het met een willekeurige ander doet: ongeveer 1 op de miljoen. `Deze kans is vergelijkbaar met de kans om tijdens een vakantiereis naar Mallorca met het vliegtuig naar beneden te storten.' Dat mocht hij niet zeggen, want dat was tegen het officiële beleid. Tot op de dag van vandaag, schrijft Mooij in haar slotbeschouwing, houdt het ministerie van VWS vast aan het principe van It takes two to tango. In een gelijkwaardig seksueel contact heeft ieder de mogelijkheid om zichzelf te beschermen en is daar zelf verantwoordelijk voor. Een seropositieve vrijer heeft in die visie geen extra verantwoordelijkheid. De collega's van het ministerie van Justitie laten tegenwoordig zien het daar niet mee eens te zijn, merkt Mooij op. Het openbaar ministerie klaagt onbeschermd vrijende seropositieven aan en de rechter legt forse straffen op.

De aidsvoorlichting was een vroeg voorbeeld van poldermodelconsensus die, beschrijft Mooij, ontaardde in anderhalf jaar durende vergaderingen over een foldertekst. `Sponzig', is de met instemming geciteerde kwalificatie voor het aids-bestrijdingsbeleid halverwege jaren negentig. Tot grote openlijke ruzies heeft het niet geleid. De mot bleef intern. En aids-activisme kwam in Nederland nauwelijks van de grond. Wie begon, kreeg onmiddellijk spreektijd, werd doodgeknuffeld en mufvergaderd.

`Je kunt achteraf moeilijk anders dan bewondering hebben voor de succesvolle manier waarop homoseksuele voormannen het aids-debat naar hun hand hebben gezet', schrijft Mooij. Maar wie waren die mannen? Mooij noemt veel namen, maar zegt niet of ze tot die homoseksuele voormannen behoorden. Ja, Moerkerk en Van Wijngaarden (de voorlichters en coördinatoren van het eerste uur), volksgezondheidambtenaar Smid en wat mannen van het COC en de Schorerstichting, die duidt Mooij aan als lid van de homogemeenschap. Maar van staatssecretaris Dees, onderzoekers en artsen Lange en Danner, onderzoekers Schnabel, Goudsmit, Miedema is onduidelijk of de roem waarmee Mooij de `homoseksuele voormannen' overlaadt ook voor hen bedoeld is.

Ondanks het compliment dat Mooij uitdeelt, is ze er niet van overtuigd dat de in het buitenland veelgeprezen polderaanpak medisch gezien wel een succes was. Te midden van de westerse landen scoort Nederland gemiddeld in het aantal patiënten dat er in het decennium tussen 1985 en 1996, toen de aids-bestrijders hun belangrijkste werk deden, bij kwam. Door werkzame medicijnencombinaties werd aids na 1996 een chronische ziekte. Veel homoseksuelen gingen zorgelozer vrijen. De syfilis- en gonorroebesmettingen vlogen omhoog.

Annet Mooij: Geen paniek! Aids in Nederland 1982-2004. Bert Bakker, 225 blz. €18,95