Leed is de norm

De documentairemakers op het IDFA gebruiken hun camera in de strijd voor een betere wereld. Anderzijds is het een festival van vrijblijvend voyeurisme.

Het IDFA, het International Documentary Filmfestival in Amsterdam, heeft in de voorbije dagen vast weer meer bezoekers getrokken dan vorig jaar, zoals het vorig jaar meer bezoekers trok dan in het jaar dáárvoor. Mensen verdrongen elkaar om kaartjes voor Liberia, an uncivil war, over de vuile oorlog in dit West-Afrikaanse land, en voor Echoes of war, waarin kinderen uit oorlogsgebieden hun verhaal vertelden. Ook kaartjes voor Darwin's Nightmare, over de half-criminele economie rond de nijlbaarsvoorraad in het Victoriameer, waren erg gewild.

Dat is mooi. Dit zijn drie doordachte films over afschuwelijke misstanden, en het is goed dat veel mensen daar kennis van nemen. Of zit er ook een tegenkant aan? Ben ik de enige die diep geraakt wordt door zulke films, maar er tegelijk een ranzig gevoel bij krijgt? Vast niet. Op het IDFA duwen we elkaar opzij voor een plek bij het wereldleed. Alles willen we zien: aids-slachtoffers in Zuid-Afrika, gedrogeerde kindsoldaten die elkaar verminken in Liberia. We zijn diep onthutst en vinden het allemaal vreselijk. Verontwaardiging bevangt ons. Maar het gros van ons doet niets met dat besef.

Aan de ene kant is het IDFA daarom een geweldig festival waar op een kunstzinnige manier achtergrondjournalistiek wordt bedreven. Anderzijds is het een festival van vrijblijvend voyeurisme.

Kan dat anders? Ik geloof het niet. IDFA-kaartjes zijn schaars, en alles wat schaars is maakt ongekende driften in mensen los. Opeens willen we allemaal die éne film zien waarover iedereen het heeft, ook als die film toevallig beelden bevat van slachtoffers van oorlog, geweld en armoede. Ergens realiseren we ons wel dat dit verlangen voor de meesten van ons precies de duur heeft van die tien dagen in november. Want als er een Liberia op het journaal is gaan we koffiezetten. Op een gewone doordeweekse avond piekeren we er niet over naar de bioscoop te gaan voor een film over lijmsnuivende straatkinderen in Tanzania. Sterker, op televisie zappen we, tot wanhoop van ontwikkelingsorganisaties, massaal weg bij zo'n documentaire. Voor Afrika is daarom zoals bekend alleen uitzendruimte als het een actie betreft met veel hongersnood en bekende Nederlanders, of anders op een tijdstip dat de meeste mensen al in bed liggen. Het is zoals filmmaker Michael Klint zegt in de Deense documentaire Get a Life, over kinderen met de horrorziekte Noma in Afrikaanse vluchtelingenkampen: ,,Stervende Afrikanen op prime time? Vergeet het maar. Stervende blanken zou nog kunnen, maar stervende Afrikanen? Nooit.''

Ongeluk

Vreemd is dat niet. Als kind zag ik een tekening van Jo Spier die mij altijd is bijgebleven, de illustratie van een journalistieke natuurwet. Een man zit voor de radio en hoort het nieuws. Tweehonderdduizend doden bij een hongersnood in Afrika, honderdduizend bij een aardbeving in Turkije. Duizend bij een overstroming in Polen, honderd bij een vliegtuigongeluk in Italië, tien bij een hotelbrand in België. En dan is er nog een jongetje aangereden in de Goudsbloemstraat. Pas bij dit laatste bericht draait de man zich om en roept: `Vrouw, er is een ongeluk gebeurd!'

Serieus geëngageerde journalisten en kunstenaars, zoals de makers van afgewogen documentaires, proberen dit tij te keren, heet het doorgaans. ,,Bovenal is het fantastisch'', schreef IDFA-directeur Ally Derks dit jaar in het festivalprogramma, ,,om ieder jaar weer verrast te worden door de enorme verbeeldingskracht en betrokkenheid van documentairemakers.'' De implicatie is dat films en foto's uit 's werelds brandhaarden zullen leiden tot meer begrip en betrokkenheid bij ons, toeschouwers, zoals ze de betrokkenheid van de makers hebben verdiept en bestendigd.

Ook Susan Sontag trekt uiteindelijk deze conclusie, al veroordeelt zij in haar vorig jaar verschenen essay `Regarding the Pain of Others' de klakkeloosheid waarmee we in dit rijke en media-rijke deel van de wereld omgaan met gruwelijke beelden. Maar níet maken, níet kijken, is ook voor Sontag geen optie. Immers: rampen die niet gefilmd of gefotografeerd worden bestaan niet, en menigmaal hebben beelden de publieke opinie zo gemobiliseerd dat politici tot actie moesten overgaan. Niet voor niets zei Kofi Annan eens CNN als permanent lid van de VN Veiligheidsraad te beschouwen.

De oplossing vindt Sontag uiteindelijk in `zorgvuldig maken en zorgvuldig kijken'. Context is essentieel, zicht moet altijd leiden tot inzicht. Complexiteit, met andere woorden, staat voor integriteit. Het is de antistof tegen de verdenking van parasitisme en exploitatie die je kunstenaars en journalisten makkelijk zou kunnen opplakken, als je even vergeet dat je zelf ook zo geïnteresseerd bent in geëngageerde kunst.

Een flinke portie IDFA leert dat er op zichzelf veel te zeggen valt voor Sontags conclusie. Evenwicht is belangrijk. Neem de serie 26.000 gezichten, portretten van uit te zetten asielzoekers, gemaakt door vaderlandse documentaire-grootheden als Heddy Honigmann, John Appel en Niek Koppen. De filmpjes duren elk luttele minuten. Dat is misschien genoeg om de betrokkenheid van de makers bij deze kwestie te tonen, maar veel te weinig om echt iets van de gefilmde asielzoekers te weten te komen. Wie zijn deze mensen? Wat is hun vak? Waarom moesten ze vluchten? Welk lot denken ze dat hun wacht? Hoe kijken ze tegen Nederland aan? Door deze scheve verhouding draait het in 26.000 gezichten om Nederlandse betrokkenheid, niet om de mensen om wie het gaat.

Nee, Sontag zou vast tevredener zijn over Darwin's Nightmare. In een kalm tempo ontrafelt de Oostenrijker Hubert Sauper in die film de roofeconomie die rond het Victoriameer in Tanzania is ontstaan, nadat de zich explosief voortplantende nijlbaars daar het ecosysteem om zeep heeft geholpen. In een mede door de EU gefinancierde visfabriek in de stad Mwanza verdienen Tanzanianen geld met het panklaar maken van de vissen (in westerse supermarkten houden ze niet van onhandige formaten). Het afval vormt hun eigen dagelijkse kost. De van maden krioelende koppen en graten worden door de vrouwen gedroogd en verkocht, waarbij de ammoniakdampen van de rottende vis op grote schaal blindheid veroorzaken. Russische piloten vliegen vervolgens de filets naar Europa. Op de heenreis brengen ze illegale wapens mee die naar de naburige kruitvaten Congo, Burundi en Rwanda gaan. De straatkinderen van Mwanza, ten slotte, smelten het visverpakkingsplastic en snuiven het.

Piepschuim

Wat Hubert Sauper laat zien, is een sluitend economisch systeem. Wereldhandel, waarvan wij alleen de voorkant kennen – in de vorm van de piepschuimen bakjes vis in onze winkel – en de Tanzanianen alleen de achterkant. Wie afgelopen week verontwaardigd constateerde dat hiervoor toch een alternatief moet bestaan, of sterker, in een reflex besloot nooit meer nijlbaars te eten, kon overigens terecht bij Liberia, an uncivil war, van de Amerikaan Jonathan Stack. Uit Liberia vertrokken na de Koude Oorlog de Amerikanen. Eerst de soldaten en toen de multinationals. De kinderen daar laten het niet bij snuiven, ze schieten elkaar ook dood.

Maar met complexiteit en context is de kous niet af. Het houdt niet op bij Saupers zorgvuldige opbouw, bij Sontags nadenken, bij het IDFA-motto Film for thought. De implicatie is steeds dat al die oprechte verontwaardiging over het onrecht in de wereld, dat nadenken erover, uiteindelijk zal leiden tot doen en zo zal bijdragen aan een betere wereld.

Soms was in de voorbije week een glimpje te bespeuren van hoe Afrikanen deze kwestie zien. Zeer verhelderend. Ze vinden het naïef, een bizarre afwijking. Dat blijkt bijvoorbeeld op het moment dat Hubert Sauper praat met de arbeiders die in smetteloos witte voorschoten (EU-voorschriften!) de vis staan te fileren. ,,Weet u wel dat het verderop hongersnood is'', vraagt hij één van de mannen. ,,Ja, en?'' vraagt die met een klein lachje waaruit blijkt wat hij denkt: `Wat wil deze figuur daar in vredesnaam mee zeggen? Soms dat hij zijn baan moet opgeven omdat ze verderop wél honger hebben?' Iets dergelijks gebeurt aan het slot van de film. Een Oekraïense piloot vertelt hoe hij wapens naar Angola bracht en Zuid-Afrikaanse druiven naar Europa. ,,Dat is business'', zegt hij. ,,Westerse kinderen krijgen druiven, Angolese kinderen krijgen geweren.''

Het zijn misschien alleen fijngevoelige westerse zielen die last krijgen van schaamte als ze naar gruwelijke beelden kijken en zich realiseren dat ze zelf niets doen om al dat leed te verlichten. Afwezigheid van leed is immers de afwijking, leed is de norm. In Darwin's Nightmare wil de zachtmoedige, filosofische nachtwaker van het nijlbaars-onderzoekscentrum ons westerse kleuters nog best eens uitleggen hoe het er in het echte leven aan toegaat: ,,That is, what is a war'', zei hij. ,,Wat je daarin nodig hebt is doden. Je wordt geacht te moorden.''

Deze filosoof heeft gelijk. Zolang de wereld bestaat uit arm en rijk, zal ze bestaan uit degenen die de luxe hebben om rechtvaardigheid te verlangen, en degenen die niets dan onrecht kennen. Uit degenen die filmen, en zij die gefilmd worden. In theorie weigeren we ons daarbij neer te leggen. In de praktijk leggen we ons daar massaal bij neer. Saupers inzoomen op de straatkinderen van Mwanza zal niets veranderen aan hun situatie. De burgeroorlog in Liberia is na het vertrek van Charles Taylor geluwd, maar volgend jaar is er ongetwijfeld een soortgelijke film uit het naburige Ivoorkust. Om van Darfur maar te zwijgen.

Gevraagd naar het verschil tussen filmen en handelen, zei Hubert Sauper afgelopen week: ,,Voor mij ís filmen handelen.'' Maar zijn collega Michael Klint van Get a Life heeft die illusie allang verloren. In het op IDFA overal rondslingerende promotieblaadje van het Deens filminstituut zegt hij: ,,We zien onszelf als echte documentairemakers: we leggen de wereld om ons heen vast en laten het aan anderen over haar te veranderen. Maar eerlijk gezegd weet ik niet of die houding of al dat materiaal ook maar iets gedaan heeft voor mensen in Afrika – waarschijnlijk niet veel.''

In Get a Life toont Klint daarom expres het klassieke aasgierenbeeld dat elke filmer en toeschouwer kent: het uitgehongerde Afrikaanse kind met naast hem de weldoorvoede fotograaf of filmer in tropenoutfit, voor duizenden euro's behangen met apparatuur. Hij steekt net een sigaret op, want hij heeft zijn plaatje.

Klints film is een zogenoemde dogumentary, een volgens de Dogma-regels gemaakte documentaire. Dat betekent dat hij in de film zijn werkwijze moet verantwoorden. Klint doet daarom iets wat maar weinigen van zijn collega's durven: openlijk uitkomen voor de parasitaire kant van zijn werk, vraagtekens zetten bij zijn eigen engagement. In de film gaan hij en zijn cameraman op zoek naar slachtoffertjes van Noma, een zeer makkelijk te behandelen deficiëntieziekte die de gezichten van kinderen letterlijk wegvreet – een zo gruwelijk onesthetische vorm van leed dat een film erover de tv nooit zal halen. Op een armetierige operatietafel in Nigeria liggen ondervoede driejarigen met stokjes van armen. Er zitten gapende gaten aan de zijkant van hun gezicht, je kijkt zo hun mond- en neusholtes in. Het is de horrorfilm voorbij, letterlijk niet om aan te zien.

Toch is het gefilmd en toch zit je ernaar te kijken. Althans, je wordt heen en weer geslingerd tussen kijken en wegkijken. Met Klint word je je ten volle bewust van het voyeuristisch dilemma: kijken in de hoop dat dat ooit handelen wordt. Niet kijken, omdat het lijden ook zonder jouw ogen al groot genoeg is.

Klint ondervraagt artsen en dorpsbewoners, maar ontkomt niet aan technische gesprekken over hoe ver zijn cameraman moet inzoomen op het gapende gat in de kinderkaak. De twee geven bijna over aan de operatietafel. Je ziet hun gezonde, doorvoede kinderen aan tafel in Denemarken en hun klachten over het Nigeriaanse eten. Op een dag is er voedseluitdeling in het Noma-ziekenhuis. Kinderen rollen vechtend over de grond, zeker de helft van het voedsel wordt openlijk meegenomen door de wachtposten. Nu komt het eropaan. Nu moeten de filmmakers, zoals op de IDFA-website staat, `hun camera gebruiken in de strijd voor een betere wereld'. Ze filmen de portiers van een afstandje, maar Klint vraagt zich af of ze hen niet moeten tegenhouden of op zijn minst ondervragen. De cameraman raadt het hem af, en het moment gaat voorbij zonder dat er iets gebeurt. Het finest moment komt pas wanneer een driejarig meisje dreigt te sterven door gebrek aan bloed. Klint heeft dezelfde bloedgroep en wordt donor. ,,Eindelijk'', verzucht hij opgelucht, ,,doe ik hier iets wat nut heeft.''

Hypocrisie

Zeker, Get a Life is makkelijk, ijdel en exploitatief in het kwadraat – Klint gebruikt de Noma-kinderen om iets te zeggen over westerse hypocrisie. Maar zijn film is ook onmisbaar voor een festival als het IDFA, een tegenwicht voor al dat hoogstaande engagement. Eigenlijk zou het festival bij alle `betrokken' films elk jaar ook een film over de betrekkelijkheid van betrokkenheid moeten programmeren.

Enfin. Klint en zijn cameraman schieten hun beelden en gaan terug naar huis. Een paar weken later ontvangt Klint een mailtje van de Nigeriaanse dokters en verpleegsters. Denkt hij dat zijn film wat geld zal opleveren voor hun ziekenhuis? Hij heeft, zegt hij tegen zijn cameraman, nog niet gereageerd. Het dagelijks leven heeft hem alweer opgeslokt, zijn opwelling van onrechtsbesef is weggeëbd.

Michael Klint heeft nog niet gereageerd. In plaats daarvan roept hij ons aan het slot van zijn film bijna evangelisch op, ons leven te vieren in het besef hoe bevoorrecht we zijn. Wat een onzin. Laten we ons niet mooier voelen dan we zijn. Wij hebben nog geen van allen gereageerd, hoezeer we ook geraakt zijn. We kijken en denken nou eenmaal liever dan dat wij doen. Eén keer per jaar zorgt het IDFA dat wij wél stervende Afrikanen willen zien op prime time. Dan applaudisseren we met alle warmte die in ons is en voelen de urgentiereflex van Jo Spiers man bij de radio: `Er is een ongeluk gebeurd!' Onze betrokkenheid heeft de duur van een ademtocht. Schamel, inderdaad. Maar meer zit er kennelijk niet in.

Het IDFA duurt nog t/m 28 november.

Inl: www.idfa.nl