`Jij moet dood!' past in traditie

Het heeft er alle schijn van dat `imam' Abdul-Jabbar van de Ven alles op alles zet om zijn Nederlandse schepen achter zich te verbranden. Maar echt lukken wil dat nog niet. Met zijn ontboezeming dat hij er niet rouwig om zou zijn als Geert Wilders aan kanker zou bezwijken, plaatst hij zich in een bij uitstek Nederlandse traditie.

Nederlanders zijn meesters in de infective invective, het besmettelijke scheldwoord, schrijft de taalkundige W.H. Fletcher in het tijdschrift Maledicta. Krijg de kolere, de pest, de pokken, de kanker, de tering en de tyfus, zijn volgens Fletcher typisch Nederlands, en hij verbaast zich over het gemak waarmee twee of meer van deze kwalen tot één verwensing worden aaneengeregen. Inderdaad was de imam nog gematigd. Hij had Wilders ook de `overmaasse hazewindhondkorenmolenpestpokken' kunnen toewensen, een verwensing die vroeger in Rotterdam gebruikelijk was.

Ook in Engeland wordt de infective invective wel beoefend, maar dan in meer gepolijste vorm. Bekend is de conversatie tussen de Earl of Sandwich en de demagoog John Wilkes in het Hogerhuis, die in de 17de eeuw plaatsvond. De earl, woedend over een opmerking van Wilkes, beet hem toe dat hij hetzij op het schavot, hetzij aan de syfilis zou sterven. Wilkes maakte een hoofse buiging naar zijn tegenstander, en antwoordde: ,,My Lord, dat hangt er geheel van af of ik uw beginselen dan wel uw maîtresse omhels.''

Ook de regelrechte doodswens is in de Nederlandse scheldcultuur niet onbekend. De oorspronkelijkste scheldkanonnade die aan een Nederlands brein ontsproot is te vinden in de Moffenspiegel, een illegale publicatie uit de bezettingstijd. Daarin werd opgesomd onder welke benamingen Hitler zoal bekend stond. In China heette hij Hang Kreng Hang, in Japan Foetsjimoeti, in Rusland Slarottimof, in Abessinie Haal opensebassie, in Ierland O'Brajum, in Italië Alverotti, in Turkije Satan-Halum, en in Arabië Slahem-elijki.

Ja, zelfs doodswensen aan het adres van Adolf Hitler werden toen nog in een humoristisch jasje gestoken. Iemand in het openbaar de dood toewensen was ongehoord, behalve wanneer het gebeurde met een duidelijke dubbele bodem, zoals in: `Ach man, val dood.'

Een halve eeuw later is van die terughoudendheid weinig meer over. `Jij moet dood!' is een gangbare uitdrukking geworden in jongerentaal. Soms wordt de daad bij het woord gevoegd. Ook Maja Braderic, het Nijmeegse meisje dat werd vermoord en in brand gestoken, `moest dood' – dat was vooraf aangekondigd. Haar omgeving reageerde er niet op – misschien omdat de uitdrukking al zo gangbaar was geworden.

Wanneer is de afbrokkeling van het taboe op de openlijk uitgesproken doodswens begonnen? Een van de eerste keren dat die wens als min of meer terloopse bijdrage aan het alledaags spraakgebruik opdook, was in het tv-programma Jiskefet, begin jaren '90. ,,Dood! Jij moet dood!'' was een steeds terugkerende kreet in de conversatie van het daarin voorkomende echtpaar Oboema.

Al eerder, in de jaren '80, was in bladen als Propria Cures, Vrij Nederland en Nieuwe Revu een aanverwante trend opgekomen: je verkneukelen omtrent andermans dood. Trendsetters in dit openbaar doodsvermaak waren Theodor Holman en Theo van Gogh.

Slachtoffers waren onder anderen de eerste vrouw van Hans Wiegel, die in 1980 bij een aanrijding om het leven kwam, en Joop van Tijn, aan wiens dood de beide

Theo's een serie humoristische schetsen wijdden, waarvan de eerste verscheen in de week van zijn overlijden.

Het duurde niet lang of het openbaar doodsvermaak maakte ook school op de voetbaltribunes (,,Van Gaal, waar is je kankerwijf?'') en in de rapscene. Cabaretier Vincent Bijlo deed kort na de moord op Fortuyn ook een duit in het zakje met zijn uitspraak ,,Pief Paf Pim.''

Een intrigerende maar moeilijk te beantwoorden vraag dringt zich nu op, namelijk in hoeverre het ene het andere heeft uitgelokt. Hebben de kreten van Oboema, de stukken van Holman en Van Gogh en de spreekkoren op de voetbaltribunes bijgedragen tot een klimaat waarin gemakkelijker dan voorheen serieuze doodsbedreigingen worden geuit? En hebben die kreten, die stukken en die bedreigingen bijgedragen tot een klimaat waarin de stap naar daadwerkelijke uitvoering van zo'n bedreiging gemakkelijker wordt gezet?

Het kan geen kwaad deze vragen mee te nemen in het debat over de grenzen van de vrije meningsuiting.

Herman Vuijsje is socioloog / publicist.