Iedereen was zijn minnaar

Weinig historische figuren hebben zo lang zo'n reusachtige fascinatie uitgeoefend als Alexander de Grote. Vanuit het kleine Macedonië en met niet altijd vrijwillige Griekse steun had hij het grootste wereldrijk in de geschiedenis, Perzië, in een ongehoord succesvolle campagne van enkele jaren veroverd. Hij stond op het punt in een nieuwe expeditie daar nog eens heel Arabië en ook Noord-Afrika aan toe te voegen, toen hij, nog geen 33 jaar oud, onverwacht in Babylon stierf. Gifmoord? Een ziekte? De mythevorming heeft zich onmiddellijk van deze veroveraar, de eerste die openlijk verering als een god in mensengedaante afdwong, meester gemaakt. Alexander (of Iskander) leeft voort in legenden en sprookjes die zich verbreidden in Oudheid en Middeleeuwen over een even ongehoord omvangrijk gebied, van Ierland tot Cambodja. Romans en films bleven in de moderne tijd niet achter, van Louis Couperus en Mary Renault tot Oliver Stone. Diens nieuwe film `Alexander' heeft geleid tot protesten in Griekenland, omdat Alexander ten onrechte als homoseksueel zou worden geportretteerd.

Het aantal historische werken over Alexander is niet te overzien, maar toch lijkt er altijd plaats voor nieuwe. Steeds is er behoefte aan herinterpretaties van het verleden en van de rol van `grote mannen'. Bovendien groeit soms het bronnenmateriaal aan en kan men menen niet alleen een herinterpretatie van de bestaande gegevens te kunnen leveren, maar ook een frisse kijk op basis van die nieuwe bronnen. Dat laatste is het oogmerk van Jona Lenderings Alexander de Grote. Die nieuwe kijk wordt voornamelijk geconstrueerd uit het perspectief van de overwonnenen. Kleine details, zoals het consequente gebruik van de term Yauna (Perzisch voor `Grieken') onderstrepen dat. De schrijver heeft een goed oog voor de verschrikkingen waarmee de veroveringsoorlog gepaard ging.

Tot de beste stukken van zijn boek behoren de beschrijvingen van militaire gebeurtenissen, met name de slag bij Issos, de slag tegen de steppenomaden aan de oever van de Syr Darya, en de belegeringen van Halikarnassos en van Tyros. Na Issos is zelfs een uitgebreide passage ingelast over het lot van de gewonden op het slagveld. Verder heeft de auteur een open oog voor couleur locale en maakt hij soms interessante opmerkingen bij Alexanders optreden in bijvoorbeeld Babylonië, Egypte en India. Het is allemaal met vaart geschreven in een leesbare stijl en dit boek is aan te bevelen aan een Nederlands publiek voor wie de anderstalige Alexanderliteratuur minder toegankelijk is.

Het gekozen perspectief heeft de schrijver verleid tot een kijk op de kracht en voortreffelijkheid van het Perzische rijk, die menig historicus zal verrassen. De korte geschiedenis van de Perzisch-Griekse relaties vóór Alexander is onevenwichtig weergegeven en de snelle ineenstorting onder de Macedonisch-Griekse aanval blijft eigenlijk onverklaard De nieuwe gegevens waarop de auteur zich enkele malen beroept zijn recent ontcijferde Babylonische kleitabletten, die zogeheten astronomische dagboeken en fragmenten van een kroniek bevatten. Hij doet veel moeite daar informatie uit te persen om ons beeld van de Macedonische verovering aan te vullen of te corrigeren. Dat is lovenswaardig, maar de uitkomst valt tegen. Eigenlijk hebben we alleen voor de jaren 338-336, vlak voor de troonsbestijging van Darius III, Alexanders ongelukkige tegenstander, aan de Babylonische teksten wat nieuwe inzichten in de verwikkelingen binnen het Perzische Rijk te danken. Ook nieuw is de suggestie dat de satraap Bessos onmiddellijk na de moord op Darius, en niet pas enige tijd later, de koningstitel aannam.

Meestal zijn de gegevens van de kleitabletten moeilijker op concrete gebeurtenissen te betrekken. Pogingen daartoe leiden soms tot geforceerde interpretaties, zoals de conclusie, op basis van mededelingen over een maansverduistering en andere voortekenen, dat het Perzische leger voor de grote slag bij Gaugamela in 331 volkomen gedemoraliseerd zou zijn en daardoor die fatale nederlaag leed. Van een poging de slag te reconstrueren ziet de auteur dan ook af, verwijzend naar de onduidelijkheid van de bronnen, al is ons materiaal voor Issos nauwelijks beter; blijkbaar is de veronderstelde demoralisering verklaring genoeg.

In het algemeen is de Griekse en Macedonische kant van het verhaal wat onderbelicht. Dat wreekt zich in de behandeling van de persoon van Alexander en zijn onmiddellijke entourage. We lezen wel over de `theatrale stijl van leiderschap' die Alexander beoefende, maar weinig over de rol van homerische en heroïsche idealen, niet alleen bij hemzelf maar ook bij de gewone Macedonische soldaten. Evenmin horen we veel over de groeiende paranoia van de veroveraar en de daarmee verbonden samenzweringen tegen zijn persoon. Zonder veel argumentatie wordt verondersteld dat de cavaleriegeneraal Filotas incompetent dan wel deloyaal geweest moet zijn en dat in beide gevallen zijn terechtstelling dus begrijpelijk was. De andere samenzweringen en de beruchte scène van de moord op Kleitos worden al even onbevredigend behandeld. De rol van de drank en Alexanders seksuele leven worden nauwelijks aangestipt. De term `minnaar' wordt vreemd genoeg op iedere betrokkene in een seksuele relatie toegepast, wat in elk geval niet strookt met het Griekse gebruik, zoals menige lezer ook vreemd zal opkijken van de `vriendinnen' die de Macedonische soldaten blijkbaar meenamen.

Tegenover deze bedenkingen staat veel moois en ook veel eigenzinnigs, alsof de auteur een voorkeur heeft voor aanvechtbare standpunten (bijvoorbeeld Alexanders veronderstelde bezoek aan het Egyptische Thebe of aan Jeruzalem). Jammer is dat de schrijver de geïnteresseerden niet meer weet te bieden dan een bibliografietje van elf titels, waar een uitvoeriger literatuuroverzicht toch te verwachten was. De kaarten zijn sober maar duidelijk. De hoofdstukkenindeling is daarentegen verwarrend, ook al omdat de hoofdstukken niet genummerd zijn. De illustraties zijn van slechte kwaliteit; zo is het schitterende Alexander-mozaïek uit Pompeii op blz. 123 teruggebracht tot een grijze vlek van enkele vierkante centimeters. Overigens: dat mozaïek slaat praktisch zeker op de slag bij Gaugamela en niet op Issos en onthult een interessante vernieuwing in het Perzische leger die de schrijver onbesproken laat. Want de lange lansen, die van achter de wagen van de Grote Koning in de richting van de aanstormende Alexander wijzen, duiden op de invoering, te elfder ure, van op Macedonische wijze uitgeruste infanterie; het heeft niet mogen baten.

Jona Lendering: Alexander de Grote. De ondergang van het Perzische Rijk. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 404 blz. €22,95