Ieder voor zich of de staat voor ons allen

Blijft Nederland een soevereine welvaartsstaat of worden we een land van op zichzelf aangewezen wereldburgers? Volgens het Centraal Planbureau heeft die keuze vergaande gevolgen voor de welvaart in de toekomst.

Hoe ziet Nederland er uit in 2040? Met deze onmogelijke vraag is het Centraal Planbureau op pad gegaan om een langetermijnscenario te schetsen voor de Nederlandse samenleving. Prognoses die zó ver de toekomst in gaan zijn in de regel ondoenlijk. Het enige waarover binnen bepaalde marges een uitspraak kan worden gedaan is de bevolkingsontwikkeling. En zelfs dat is geen exacte wetenschap.

De nieuwe CPB-studie Vier vergezichten op Nederland volgt op eerdere pogingen, in 1993 en in 1997. De termijn waarover gekeken wordt, is ditmaal langer dan de kwart eeuw die gangbaar was. Reden is volgens CPB-directeur Henk Don dat zich in de bevolkingsontwikkeling rond 2030 een knik voordoet, waarbij de vergrijzing de bepalende factor is. Het was beter, aldus Don, om ook over die tijd heen te kijken.

Scenarioplanning is, zeker voor een lange termijn als deze, beter dan het doen van centrale prognoses. Het aantal vrijheidsgraden is daarvoor simpelweg te groot.

Het CPB heeft daarom een tweetal `sleutelonzekerheden' geformuleerd, die eender zijn als in een studie naar de toekomst van Europa van vorig jaar. De ene onzekerheid gaat over de omgeving van Nederland: de vraag in hoeverre landen, ook Nederland, bereid zullen zijn hun eigen identiteit en soevereiniteit op te geven en internationaal samen te werken. De tweede sleutelonzekerheid gaat over een cruciale beleidskeuze: de verdeling die wordt gemaakt tussen publieke en private verantwoordelijkheden.

Dat levert gecombineerd vier mogelijkheden op. In de eerste, Regional communities, komt verdere internationalisering nauwelijks tot stand, en blijven hervormingen in de verzorgingsstaat goeddeels achterwege. Het gevolg in de loop naar 2040 is een positieve, maar lage, welvaartsgroei van 0,7 procent per hoofd van de bevolking per jaar, waarbij de inkomensverschillen gering blijven.

Helemaal aan het andere eind van de schaal staat de variant Global economy. Hierin wordt de collectieve sector juist grondig herzien en voor een fors deel aan de private sector overgelaten. Er is hier sprake van een grootschalige internationale samenwerking. Dit levert een flinke welvaartsgroei op van 2,1 procent per hoofd van de bevolking, maar ook grotere inkomensverschillen. Door de hoge economische groei heeft het milieu in deze variant het meest te lijden.

De twee varianten Transatlantic Market en Strong Europe zitten hier goeddeels tussenin. In de eerste is er wel sprake van een hervorming van de welvaartsstaat, maar met een achterblijvende internationalisering. In de laatstgenoemde variant neemt de internationale samenwerking wel toe, maar wordt de collectieve sector juist niet aangepakt.

Centraal in de conclusies van de studie is de prijs die moet worden betaald voor de economische groei, zei een van de auteurs, Free Huizinga, vanmorgen in een toelichting. Wat de `publieke zaak' kan worden genoemd, krijgt minder aandacht naarmate het streven naar economische groei sterker is. Dat geldt grosso modo ook voor het milieu.

Een ander maatschappelijk effect betreft de arbeidsparticipatie. In de meest groeigerichte variant Global Economy stijgt die van 77 procent nu naar 84 procent. Onder mannen blijft de arbeidsparticipatie gelijk, maar de participatie onder vrouwen stijgt met zo'n 13 procentpunten.

Vrije tijd wordt daarmee over de hele linie een schaarser goed, en ook dat is de prijs voor een grotere welvaartsgroei.

Nederland blijft het volgens de studie in alle varianten beter doen dan het gemiddelde van de 15 lidstaten van de Europese Unie (de toetreding van de nieuwe lidstaten uit Oost-Europa is hier niet meegenomen). Dat komt vooral doordat de uitgangspositie beter is waar het de grootste uitdaging in de toekomst betreft: de vergrijzing. Niet alleen is de vergrijzingsgraad minder dan het Europese gemiddelde, maar ook is de oudedagsvoorziening in de vorm van pensioenfondsen beter geregeld. Dat betekent dat de stijging van de belasting- en premiedruk hier minder zal zijn dan in de rest van Europa.

Het Centraal Planbureau onthoudt zich in de studie van een voorkeur voor een scenario. Komend voorjaar worden de milieuaspecten nader uitgewerkt in een speciale sudie in samenwerking met het RIVM.

Eind 2005 volgt een aparte studie naar de inrichting van de welvaartsstaat. Dan zal het voor de economen minder makkelijk worden om uit het vaarwater van de politiek te blijven.