Houden van dezelfde vrouw

De Palestijn Mahmoud Darwish, winnaar van de Prins Claus Prijs 2004, wordt gezien als de belangrijkste levende dichter in de Arabische wereld. ,,Israël doet alsof ik gevaarlijk ben, maar dat is een spel.''

Natuurlijk komt Yasser Arafat meteen ter sprake. Zijn verscheiden is de reden dat Mahmoud Darwish, woonachtig in het Jordaanse Amman, even terug is in Ramallah, in het gerenoveerde Ottomaanse huis waar hij kantoor houdt en zijn tijdschrift Al Karmel redigeert. Darwish, geboren in 1942 in het weggevaagde Birwe bij het Israëlische Akko, wordt beschouwd als de belangrijkste levende dichter in de Arabisch-talige wereld. Voor zijn poëzie, waarin het Palestijnse verlangen naar een eigen land centraal staat, is de Prins Claus Prijs 2004 aan hem toegekend.

,,Arafat was de vader van de Palestijnen'', zegt Darwish, ,,hij was dé zoon, hij was uniek. Hij bezat een raadselachtig, voor mij onverklaarbaar charisma. Waarom hij de leider was van de Palestijnen – en dat was hij – heb ik, omdat ik hem vaak van dichtbij kon observeren, nooit goed begrepen. Was het zijn gezicht? Die keffiyah? Die bril? Die stoppelbaard? Wat was zijn geheim? Het blijft een mysterie hoe zoiets werkt.''

Een persoonlijke herinnering?

,,Hij was een soort vader, die je altijd het gevoel gaf heel speciaal te zijn. Dat was een van zijn gaves, waarmee hij mensen aan zich bond. We hebben nooit conflicten gehad, ook niet toen ik aftrad als schaduwminister voor Culturele Zaken uit protest tegen de Oslo-akkoorden, óók niet toen ik bedankte voor het ministerschap in de Palestijnse Autoriteit. Ik ben hem dankbaar dat hij mij bevrijdde, mij de mogelijkheid gaf de politiek te verlaten. Mijn prioriteit was, is, de dichtkunst.''

Dat viel niet te combineren. U was toch jarenlang in Beiroet lid van het executieve comité van de PLO, politiek actief in de communistische partij en hoofdredacteur van het maandblad `Shu'un Filistiniyya' én dichter?

,,We spreken over het midden van de jaren negentig, over de overgang van de Palestijnse bevrijdingsorganisatie, de PLO, naar de Palestijnse autoriteit. Ik had ontdekt dat ik geen verantwoordelijke autoriteit én dichter tegelijk kon zijn. Ik had na al die jaren in de politiek grote drang naar vrijheid, naar het niet-verantwoordelijk zijn, aan het niet rekening hoeven houden met de opvattingen van de leider en de gevoeligheden van groepen en personen.''

Met een charmante grijns: ,,Ik had ook grote behoefte aan luiheid – een dichter moet lui kunnen zijn – en aan absurdisme. Als dichter en schrijver moet je niet altijd zo serieus zijn, serieus in de negatieve betekenis van de hoogwaardigheidsbekleder. En ik was ook bezorgd dat mijn werk steeds verkeerd geïnterpreteerd zou worden als ik in de politiek bleef.''

Maar dat gebeurt toch. U schrijft: `Ik heb heimwee naar het brood van mijn moeder/ Haar koffie/ Haar aanraking/ Mijn kinderjaren groeien in mij/ Dag na dag/ En als ik hecht aan het leven, want als ik stierf zou ik me schamen/ Voor de tranen van mijn moeder'. Dat gaat over Palestina, zoals ook in de liefdesgedichten de vrouw voor Palestina staat.

,,Ja en nee. Ik besef hoe dat gaat. Maar ik heb het vaak ook gewoon écht over de liefde. Engels- en Franstalige lezers begrijpen dat wel. Vooral Palestijnen kunnen zich niet goed voorstellen dat ik sommige gedichten heb geschreven met een bepaalde vrouw of met bepaalde individuele gevoelens in mijn hoofd. Zij kunnen zich niet voorstellen dat er iets belangrijkers is dan de zaak, de strijd, dan Palestina.''

Zoals Palestijnse lezers u niet goed begrijpen als u zegt dat u in staat bent `zelfs de mens in de Israëlische soldaat' te kunnen zien, zoals u doet in `A Soldier Who Dreams of White Lilies'(1967).

,,De Israëlische soldaat, voor vele Palestijnen en vooral jongeren en kinderen de verpersoonlijking van het kwaad, is geen geest, maar een mens, een menselijk wezen, goed, slecht, dat doet er even niet toe. Ik vermenselijk de ander altijd, dus ook de Israëlische soldaat. Sommige van de Israëlische soldaten waren in de jaren vijftig en zestig mijn schoolvrienden. Ik herinner mij nog dat ik van enkelen van hen afscheid nam toen zij in dienst gingen en ik in Haifa werkte als journalist, en later toen ik naar Rusland en Egypte ging om te studeren en te werken. Wat ik daarmee eigenlijk wil zeggen is dat ik in staat ben te vergeven en te vergeten, mocht het ooit tot vrede komen. Ik ben hier geboren, we zijn in '48 verjaagd, daarna weer teruggekeerd en sinds 1970 mag ik het land niet meer in. En toch, toch verlang ik naar de dag dat Palestijnen en Israëliërs om de tafel zitten en kunnen lachen, ook om het verleden. Ik weet niet of zij daartoe in staat zijn, ik weet dat ik dat zal kunnen. Ik heb nooit voor de vernietiging van Israël gepleit of gestreden. En ik sta niet alleen, de meerderheid van de Palestijnen wil geen held meer zijn; wil geen held, maar ook geen slachtoffer zijn.''

In Israël wordt anders over u gedacht. Verspreiding van uw werk is opnieuw verboden en na een paar jaar weer van de leeslijsten van de middelbare scholen geschrapt. U mag Israël niet meer in. Familiebezoek is onmogelijk gebleken, op één keer in 1996 na.

,,Ach, zij doen alsof ik gevaarlijk ben, maar dat is een spel. Toen Yossi Sarid, een hele goede vriend van mij, als minister van Onderwijs in 1996 mijn werk op middelbare scholen verplicht stelde, brak de revolutie heus niet uit. Er was een hoop trammelant, een hoop stukken in de krant, maar daar bleef het bij. Waar het om gaat, is dat ik van rechts Israël geen onderdeel mag zijn van de culturele erfenis. Daarom heeft minister Livnat van Onderwijs, zij is van Likud, mij in 2000 weer van de leeslijst afgehaald. Maakt niet uit, want nu krijgen Israëlische jongeren tenminste niet de pest aan mij. Verplicht gedichten lezen op school! Is er iets ergers voor die kinderen te bedenken? Rechtse, joodse Israëliërs claimen het monopolie op de herinnering, zij claimen het monopolie op de emotie, op het verlangen, op de liefde voor dit land. De joodse Israëliërs zijn mensen van het woord, het is een volk van het boek; zij onderkennen het belang van het woord. Zij willen geen partner in de liefde voor dit land, zij dulden in die liefde geen Palestijnse concurrent: zij willen niet lezen hoe een Palestijn schrijft over zijn banden met het land, zijn diepste gevoelens, de herinnering aan de geur van koffie, de herinnering aan een landschap, aan een olijfboomgaard. Zij beschouwen mij als een concurrent in de liefde. Het is alsof wij van dezelfde vrouw houden. Mijn werk is nu weer verboden, omdat in het Israëlische onderwijs kinderen wordt geleerd dat het land leeg was en lag te wachten op de terugkeer van de joden. Maar als zij mijn werk lezen dan begrijpen zij dat ik niet uit Rusland, Ethiopië, Duitsland of Nederland kom, maar hier ben geboren, net als mijn vader, grootvader en overgrootvader. Zij lezen dan dat ik geen andere geboorteplaats heb. Ik zou het beeld van het lege, op de terugkeer van joden wachtende land verstoren. Zij leren dan dat ik ook beïnvloed ben door de bijbel en door een zionistische dichter als Bialik. Zij leren dan dat ik beter Hebreeuws spreek en schrijf dan de meeste immigranten. Dat zijn invloeden die mij net zo hebben gevormd als de pre-islamitische dichters en de Arabische epos-schrijvers uit voorgaande eeuwen.''

Alsof het Palestijnse onderwijs de toets der kritiek kan doorstaan. Daar wordt de holocaust uiterst summier of niet behandeld en wordt in de oudere boeken de historische realiteit – de staat Israël – weggepoetst.

,,Het Palestijnse onderwijs laat inderdaad ook het nodige te wensen over. Geen twijfel over mogelijk. We hebben na de dood van Arafat ook geen nieuwe, charismatische leiders nodig, geen symbolen, geen concentratie van alle macht in één persoon, maar goede bestuurders en goede managers. Niemand ontkent de holocaust. Waar het om gaat, is de vraag of de holocaust gebruikt kan worden om een ander volk, de Palestijnen, te onderdrukken. Palestijnen vragen zich al decennialang af waarom zij moeten boeten voor de misdaden die in Europa zijn begaan tegen de joden, waarom zij de last van de collectieve Europese schuld aan de joden moeten dragen, waarom zij hun verlangen moeten onderdrukken. Ik sympathiseer met de joden, maar het probleem is het politieke gebruik van de holocaust door de Israëliërs. Ik hou niet zo van het zionisme.''

Dat is wel duidelijk. Waarom is uw werk gespeend van iedere verwijzing, afwijzing, veroordeling, verheerlijking van geweld, terwijl dat zo'n wezenlijk kenmerk is van de geschiedenis van de Palestijns-Israëlische strijd?

,,Ik schrijf niet over geweld, omdat ik daar de woorden niet voor heb. Je kan een oorlog niet met woorden uitvechten. Een oorlog is gewelddadig. Het geluid van een gevechtsvliegtuig is altijd luider dan de klank van een gedicht. Ik kan daar niet tegenop. Je kan tegenover oorlogsgeweld alleen maar welgekozen stilte plaatsen als dichter.''

Dat zou als afzijdigheid uitgelegd kunnen worden.

,,Ja, dat zou kunnen, maar daar hoef ik niet bevreesd voor te zijn, want mijn persoonlijke verhaal vertegenwoordigt een collectief verhaal. Daar heb ik niet voor gekozen, dat is gewoon zo. De `ik' in mijn gedichten is `wij'. Mijn verhaal is het verhaal van de Palestijnen in Al-Nakhba, de catastrofe. Vanaf mijn zesde jaar leerde ik opeens woorden als oorlog, vluchteling, ballingschap en Kafkaiaanse begrippen als `present-absentee' zoals teruggekeerde Palestijnen door het nieuwe Israëlische bewind werden genoemd. Ik ben niet opeens in dit landschap geplaatst, ik kom uit dit landschap. Het enige waar ik bewust voor gekozen heb, eigenlijk al heel jong, is het dichterschap. Dat was een droom en een bewuste keuze, die ik gelukkig dankzij goede leraren heb kunnen ontwikkelen. De rest is toeval. Mijn leven dicteert de woorden.''

Zoals in We Travel Like All People: `Ours is a country of words: Talk. Talk. Let me rest my road against a stone. Ours is a country of words: Talk. Talk. Let me see an end to this journey.'

Darwish luistert knikkend, strijkt met zijn hand door de geverfde haren en trekt zijn jasje strak. Alleen zijn grijze wenkbrauwen verraden zijn leeftijd. ,,Ik leef in een land van woorden. En, gek genoeg, ben ik bang dat ik niet meer in staat ben in een echt land te wonen. Ik heb ontdekt dat mensen ook in ballingschap leven als zij in een echt, concreet land wonen. Het tegenstrijdige is natuurlijk dat ik over het verlangen naar een land schrijf. Ik bid iedere dag dat de dag dat wij in een eigen, vrij land leven zal aanbreken, want dat betekent dat wij vrij zijn, onafhankelijk én vrij. Maar ik ben bang dat ik verslaafd ben geraakt aan het leven in ballingschap.''

Verslaafd aan het leven in de diaspora, in Beiroet, Tunis, Parijs, Amman en Ramallah. Aan het stukken schrijven in `Le Monde'. Begrijpelijk. Maar stel, die staat is er.

,,Of in Amsterdam, want dat is een mooie stad voor de liefde.''

En ook de stad waar Israëlische soldaten naartoe gaan na hun diensttijd in de Palestijnse gebieden om de herinneringen en spanningen weg te wissen.

,,Ja in de Amsterdamse coffeshops worden zij weer aardiger, worden zij weer normale, menselijke wezens.''

Maar goed. En dan?

,,Dan kan ik mijn vrije land bekritiseren en misschien wel vervloeken. Ik kan het uit eigen vrije wil verlaten. Ik zou in vrijwillige ballingschap kunnen gaan. Die lofzangen op een land hebben ook iets bespottelijks. De meeste Nederlanders gaan toch lachen als zij een gedicht lezen waarin op melodramatische toon de schoonheid van het landschap en de mensen wordt bezongen. Ik wil ook zo kunnen lachen, kunnen spotten. Ik wil de vrijheid kunnen hebben om te zeggen dat een land, een natie-staat, in de moderne wereld een achterhaald begrip is. Ik wil de vrijheid hebben te pleiten voor het opheffen van de Palestijnse staat, zoals Nederlanders dat doen als zij pleiten voor meer Europese integratie.''

Dat doen zij lang niet allemaal meer. U zal uw prijs ontvangen in een land en een continent dat verzeild is geraakt in een identiteitscrisis en waar moslims beschouwd worden als potentiële terroristen.

,,Ik weet het, ik volg vooral de discussie in Frankrijk, omdat ik daar vaak kom. Ik zie het niet als een botsing tussen culturen of religies, hoewel onwennigheid en vreemdheid aspecten zijn die niet over het hoofd gezien moeten worden. Het is geen botsing tussen het christendom en de islam. Een culturele strijd? Ik maak ook deel uit van de Arabische cultuur en ik weet weinig van de koran. Dat is het niet. We zijn volgens mij getuigen van een botsing tussen fundamentalisten en modernisten. Het fundamentalisme is het probleem, zowel in de islam als in het christendom. Islamitische fundamentalisten vallen niet alleen symbolen van westers modernisme aan, zij doden ook moslims. In Algerije zijn honderdduizend slachtoffers gevallen. De oorlog van de fundamentalisten is gericht tegen de moderne tijden. Ik ben ervan overtuigd dat zij gestopt kunnen worden als we de voedingsbodem, de oorzaken, wegnemen. Dat betekent dat we wezenlijke problemen, zoals armoede, bezetting, wanhoop en onderdrukking moeten wegnemen. Het antwoord dat de christelijke evangelisten in Amerika, president Bush voorop, hebben bedacht door de wereld in kampen met goeden en kampen met kwaden op te delen, leidt alleen maar tot rampspoed. De christelijke evangelisten zijn in mijn ogen óók fundamentalisten. Ik adviseer iedereen nauwkeurig te lezen hoe zij denken over goed en kwaad, over het bijbelse land; het land van Judea en Samaria in het heilige boek. Dat gaat over Palestina, mijn land, ook mijn land. Wie een eind wil maken aan het terrorisme moet eerst de echte problemen oplossen.''