De ene dode

Pas na zijn dood kreeg Jan Campert de erkenning waar hij zijn leven lang naar snakte, als dichter van `De achttien dooden' en verzetsheld. Zijn biografie relativeert die heldenstatus, maar toont een vernieuwend journalist.

`Weest om uw tijdlijk lot geenszins bedrukt', schreef Jan Campert in een bundel uit 1942, een jaar voor zijn dood in Duitse gevangenschap. Wij kennen hem als de dichter die in de donkerste jaren van de Nederlandse geschiedenis troost en moed verspreidde. De geciteerde regel komt uit het even retorische als doorvoelde gedicht `Rebel, mijn hart'. De dichter spreekt hier niet met, maar tot zijn hart, `gekerkerd en geknecht,/ die aan de tralies van den al-dag rukt':

Breekt uit en blaast de doove sintels aan,

Die zijn verdoken onder 't rookend puin;

Vaart stormgelijk over den laagen tuin,

Die Holland heet; slaat doodlijk toe en snel,

Opdat het kwaad schrikk'lijk zal ondergaan,

O hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

Hoe vaak is dit niet op de vierde mei voorgedragen? Nog beroemder is het smartelijke en woedende, ondanks eindeloos hergebruik krachtig overeind gebleven `Het lied der achttien dooden' dat eindigt met: `Mijn God, maak mij het sterven licht –/ en zoo ik heb gefaald/ gelijk een elk wel falen kan,/ schenk mij dan Uw genâ,/ opdat ik heenga als een man/ als 'k voor de loopen sta.'

Campert heeft een heldenstatus, maar was ook iemand die wist van falen in zijn persoonlijk en beroepsleven, een gecompliceerde man, net geen randfiguur, die soms twijfelachtige keuzes maakte, maar zijn uiteindelijke keuze voor een poging tot redding van joodse landgenoten heeft bekocht met de dood in het Duitse concentratiekamp Neuengamme.

Hans Renders schrijft in de gisteren verschenen biografie van de beroemde dichter: `Iedereen kent Jan Campert, niemand weet wie hij was'. Waarschijnlijk is het omgekeerd – iedereen weet wie Jan Campert was, maar kennen doen we hem niet en daarin heeft Renders verandering willen brengen.

Wat al bekend was, kan in een paar regels worden samengevat. Jan Campert (1902–1943) was dichter, schrijver en journalist, de vader van Remco Campert, echtgenoot van diens moeder, Joekie Broedelet, minnaar van Willy Corsari en vele anderen, korte tijd getrouwd met Clara Eggink, gearresteerd door de nazi's en na zijn dood in het kamp vereerd als Nederlands bekendste verzetsdichter. In 1999 publiceerde Remco Campert de schitterende novelle Over mijn vader waarin hij, op basis van Jan Camperts autobiografische boekje Slordig beheer en andere schriftelijke bronnen, het weinige boekstaafde dat hij wist over de man die al vroeg uit zijn leven verdween.

Voegt Renders iets wezenlijks toe? Weten we na lezing van diens ruim vierhonderd pagina's tellende biografie wél wie de dichter van `De achttien dooden' was, welke persoonlijkheid er schuil ging achter de schrijver van het bloedstollende gedicht `Rebel, mijn hart?' Ja en nee. Er worden in het boek mythes ontmaskerd (Campert was geen verzetsheld en ook geen schurk), zowel zijn journalistieke als literaire werk krijgt uitvoerig aandacht, maar wat de man dreef blijft in de nevelen van zijn virginia-sigaretten gehuld. Wie weet slaag ik in de dood – een meesterlijke titel, ontleend aan een gedicht van Jan Campert – geeft een beeld van zijn buitenkant. Hij was een charmante rokkenjager en een hartelijke zuiplap. Maar ondoorgrondelijk blijft nu juist dat gekerkerde rebellenhart en dat valt de biograaf niet aan te rekenen, gezien de schaarsheid van zijn bronnen.

Renders heeft uitmuntend speurwerk verricht. Het eerste hoofdstuk met als titel `De onbekende jood' is een staaltje van voorbeeldige onderzoeksjournalistiek. Zo heeft de biograaf als eerste weten te achterhalen wie de tot voor kort anonieme man was voor wie Campert zijn laatste, fataal geworden reddingspoging uitvoerde.

Bekend was al dat de dichter met zijn vriend en collega-journalist Martien Nijkamp tijdens de bezetting joden over de Belgische grens hielp en dat zij op 21 juli 1942 tijdens zo'n transport zijn gearresteerd. Die avond trachtten zij, met behulp van een Bredase taxichauffeur iemand in veiligheid te brengen die in alle processtukken en documenten wordt aangeduid als `de onbekende jood'. Zo is hij blijven heten totdat Renders in het inschrijvingsregister van het Huis van Bewaring in Breda zijn naam opdiepte: Frans van Raalte, een 21 jarige Haagse jongen, die kort na de arrestatie zelfmoord pleegde door in zijn cel een capsule met cyaankali kapot te bijten.

De biografie opent met een afscheidsbrief van Frans van Raalte aan zijn vrienden, een document dat nauwelijks met droge ogen te lezen valt, gegeven de tragische afloop van zijn vluchtpoging. Renders spoorde de zus en enkele vrienden van Van Raalte op, schetst een beeld van zijn korte leven en geeft `de onbekende jood' een gezicht door in zijn boek een foto van hem af te drukken.

Natuurlijk moet een levensgeschiedenis van Jan Campert, onsterfelijk geworden door zijn vroege dood en zijn door velen als profetische beschouwde gedicht daarover, beginnen bij het einde: de arrestatie op die zomeravond in 1942. De biograaf levert een minutieuze reconstructie waarin hij getuigen sprekend opvoert en portretten schetst van alle betrokkenen. Wat ontbreekt is een verhaallijn. Renders presenteert de elementen van het drama, maar worstelt met de compositie, met het opbouwen van spanning, het in een logische volgorde presenteren van zijn met zorg opgespoorde feiten. Zijn tekort aan vertelkunst, dat hem ook al parten speelde in zijn biografie van de dichter Jan Hanlo uit 1999, valt in dit boek extra op, omdat hij ervan heeft afgezien het levensverhaal enigermate chronologisch te beschrijven.

Behalve in de hoofdstukken over Jan Camperts jeugd in Westkapelle, waar zijn vader huisarts was, en zijn eerste jaren als beginnend dichter in Amsterdam en Den Haag, kiest Renders voor een thematische benadering. Achtereenvolgend behandelt hij Campert als journalist, criticus, dichter en Haagse bohémien. Die aanpak leidt tot nogal wat herhalingen (Jan Camperts vader gaat driemaal op 47-jarige leeftijd dood) en soms tot verwarring. Zo laat Renders Jan Campert in de jaren dertig scheiden van Clara Eggink om hem een hoofdstuk later met haar in het huwelijk te laten treden. Een excuus daarvoor is misschien dat Camperts leven ook nogal warrig was.

`Het levensverhaal van Jan Campert is het verhaal van de slordig levende journalist, van de stadskranten en van de nu vergeten publiekstijdschriften waar altijd wel een centje te verdienen viel met een gedicht, een mooi verhaal of een tekening', schrijft Renders halverwege het boek. Een fraaie typering, die echter te weinig recht doet aan de dichter die Campert in de eerste plaats wilde zijn. Maar aan de andere kant: over zijn poëzie was al het nodige bekend, over zijn journalistieke werk vrijwel niets. Renders met zijn belangstelling voor journalistieke geschiedenis ontsluit in dit boek Camperts volkomen vergeten journalistieke en literair-kritische werk.

De dichterlijk aangelegde jongen uit Walcheren leek niet voorbestemd voor de journalistiek. Na zijn niet voltooide HBS-opleiding in Vlissingen werd hij bankbediende in Amsterdam, waar hij zonder succes aan een MO-studie Nederlands begon en gedichten instuurde naar tijdschriften. Hij publiceerde al jong een bundel waar hij geld op moest toeleggen en begreep dat hij, als hij van de pen wilde leven, de journalistiek in moest. Zo kwam Campert als broodschrijver bij de krant terecht.

Eind 1927, vlak voordat hij op 8 februari 1928 trouwde met de actrice Joekie Broedelet, vond hij emplooi bij het net opgerichte dagblad De Nieuwsgier, één van de elf dagbladen die in Den Haag uitkwamen en volgens de eveneens in Den Haag als journalist werkzame Simon Carmiggelt een `sensatiekrant'. Toen in juli 1929 zijn zoon Remco werd geboren was Jan Campert er de sterverslaggever: chef van de kunstredactie met een dagelijkse column, `Vuurvliegjes' geheten, op de voorpagina en wekelijks een literaire recensie. Rijk werd hij er niet van, getuige het verhaal dat hij van de schrijfster Willy Corsari – voor wie hij na korte tijd Remco en diens moeder verliet – tafelzilver heeft gestolen, wat hem een week gevangenschap opleverde. Het liefst wilde Jan Campert bij een grote liberale krant als Het Vaderland of De Nieuwe Rotterdamsche Courant werken. Een sollicitatie bij het Algemeen Handelsblad in 1928 liep echter op niets uit. Mogelijk werd hij niet aangenomen omdat hij een wijd en zijd bekende affaire had gehad met de echtgenote van een collega bij die krant, maar het kan ook zijn dat Campert, die door veel tijdgenoten als een minor poet werd beschouwd, te weinig kwaliteit werd toegedicht.

Ten onrechte, zoals uit de biografie blijkt. Met grote ijver heeft Hans Renders de complete journalistieke productie van Campert uit de leggers van De Nieuwsgier (later omgedoopt tot Nieuwsbron) en vele andere bladen doorgenomen en samengevat. Er blijkt niet alleen uit hoe veelzijdig en belezen Jan Campert was, maar ook dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de vernieuwing van de journalistiek. Zo ging hij, toen hoogst ongebruikelijk, `undercover' als magazijnknecht voor een reportage over De Bijenkorf. Ook bedreef hij een genre dat later New Journalism zou gaan heten: persoonlijk getinte, participerende verslaggeving waarin de beleving van de verslaggever een indringend beeld van de door hem beschreven werkelijkheid geeft. Over zijn reportageroman Die in het donker... (1935), een verhaal over de Amsterdamse onderwereld, oordeelde de kritiek positief. Zelfs Menno ter Braak, die niet veel op had met Campert – door zijn boezembriend E. Du Perron als een lul omschreven – schreef er welwillend over.

Het doorvlooien van Camperts in Den Haag beroemde voorpaginacolumn Vuurvliegjes levert een levendig tijdsbeeld op en geeft tegelijk een indruk van wat de schrijver ervan in de jaren twintig en dertig bezig hield. Zijn belangstelling ging vooral uit naar alles wat te maken had met `modern leven' (van schandaaltjes in de filmwereld tot nieuwe uitvindingen) waar hij vaak absurdistische, soms sterk persoonlijke stukjes aan wijdde. Zo schreef hij in 1928 naar aanleiding van een buitenlands congres over feministen: `Om u de waarheid te zeggen: ik ben een van de oudste feministen in Nederland. Ik was al overtuigd van de groote eigenschappen der vrouwen voor ze daar zelf erg in hadden.'

Opmerkelijk is dat Campert in zijn column vaste personages opvoerde. Hij gebruikte een zekere Polly om vrouwenkwesties aan de orde te stellen en een Prof. dr. Hij-weet-veel om wetenschappelijk nieuws te becommentariëren. Renders heeft het niet heeft kunnen laten aan deze ontdekking toe te voegen: `De lezer verwacht elk moment dat het bekende Tweede Kamerlid uit Elst Drs. Mallebroodje zich meldt.' Deze zin refereert aan de huidige column in de Volkskrant van Remco Campert, waarin ook allerlei fictieve figuren opduiken die regelmatig terugkeren. Dergelijke overeenkomsten tussen vader en zoon zijn boeiend genoeg, maar horen – op deze manier gebracht – in de biografie van Jan Campert niet thuis. Er staan trouwens meer anachronismen in het boek, woorden als `flyers' en `politieke correctheid', begrippen die in de jaren dertig niet bestonden.

Over het dichterschap van Jan Campert heeft Renders minder te melden dan over zijn journalistieke activiteiten. Hij geeft een overzicht van zijn bundels en de ontvangst daarvan door critici, genoeg om nieuwsgierigheid op te wekken naar de poëzie van Campert, die buiten `De achttien dooden' en `Rebel, mijn hart' nauwelijks bekendheid geniet. Een nieuwsgierigheid die trouwens onmiddellijk bevredigd kan worden, omdat tegelijk met de biografie een door Renders samengestelde en ingeleide bloemlezing van Camperts werk is uitgekomen. Daaruit blijkt dat de critici die hem afdeden als epigoon van Weremeus Buning en anderen niet helemaal ongelijk hadden: zijn poëzie is voor het merendeel maakwerk en geen van zijn gedichten kan in de schaduw staan van de twee die met recht in het nationale geheugen gegrift staan, als in graniet gebeitelde monumenten van moed en van woede.

In de biografie gaat uiteraard de meeste aandacht uit naar `Het lied der achttien dooden' dat Jan Campert in april 1941 schreef naar aanleiding van een bericht in het illegale Parool over de executie van achttien verzetsstrijders: 15 leden van de Geuzengroep en drie Februaristakers. Pas in 1943, na Camperts eigen dood, werd dit gedicht anoniem in illegale bladen afgedrukt. Kort daarna werd het de eerste publicatie van de nieuw opgerichte uitgeverij De Bezige Bij, die het gedicht als rijmprent uitgaf.

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien

wij waren achttien in getal,

geen zal den avond zien.

Tijdens de oorlogsjaren werden van deze rijmprent 15.000 exemplaren verkocht en daarna nog eens een kleine 50.000. Omdat het gedicht pas bekend werd na Camperts overlijden in Neuengamme ontstond de indruk dat hij zelf één van de achttien doden was en dook in allerlei publicaties het verhaal op dat hij in Neuengamme was gefusilleerd. Dat laatste was niet waar – Campert stierf aan de gevolgen van uitputting – maar aan de mythe dat hij `De achttien dooden' aan de vooravond van zijn eigen executie heeft geschreven, dankte hij volgens zijn biograaf zijn onaantastbare postume reputatie van verzetsheld.

Die reputatie wordt in de biografie zwaar gerelativeerd. Weliswaar blijft staan dat Campert minimaal drie keer joden heeft geholpen te vluchten en dat met de dood heeft moeten bekopen, maar de motieven waaruit hij handelde zijn nooit opgehelderd. Er zijn geruchten geweest dat Campert uit geldnood zijn leven in de waagschaal stelde, er waren verhalen dat hij met fascisten samenwerkte, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heeft documenten over hem onder de pet gehouden en vernietigd. Niemand weet het naadje van de kous.

Op dit punt kan de biografie geen uitsluitsel geven. Uit het beeld dat Renders schetst komt de `slordig levende journalist' naar voren als een eeuwig in geldzorgen verkerende opportunist zonder al te diepgaande politieke overtuigingen. In de bohémienkringen waarin hij verkeerde was het in de jaren twintig bon ton om met Mussolini te dwepen en in de jaren dertig werkte Campert samen met mensen die Hitlers NSDAP probeerden te imiteren. Zelf heeft hij zich nooit pro-Duits uitgelaten, integendeel. Na de boekverbrandingen in Duitsland schreef hij zijn `Ballade der verbrande boeken', waarin hij tekeerging tegen de `schennende handen' en `het brallend woord' van de nazi's en waarin hij ook de namen noemde van enkele door hem diep bewonderde schrijvers wier boeken op de brandstapel terecht waren gekomen: Hans Fallada, Thomas Mann, Jakob Wasserman, Arnold Zweig. Het gedicht zou op juli 1933 door de VARA worden uitgezonden, maar de Radio Controle Commissie verbood de voorlezing wegens de politieke strekking ervan.

Het neemt allemaal niet weg dat geldgebrek Jan Campert er toe heeft gebracht zijn diensten aan te bieden aan collaborerende uitgevers en tijdschriften en dat hij gesolliciteerd heeft bij het genazificeerde persbureau ANP nadat de joodse redacteuren daar ontslagen waren. Hij probeerde geld te lenen bij Alfres Haighton van het Nationaal Front en bood zich bij de door Rost van Tonningen aangestelde hoofdredacteur van Het Volk aan als journalist voor deze gelijkgeschakelde krant. Veel van dergelijke verhalen zijn eerder verspreid naar aanleiding van Adriaan Venema's boekenreeks Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie en een deel ervan wordt nu, gestaafd met talrijke bronnen, door Camperts biograaf bevestigd.

Overigens geldt dit niet voor het smerigste gerucht volgens welk het NIOD inzage heeft gehad in brieven waaruit bleek dat Campert mensen de grens over smokkelde van wie hij wist dat ze, eenmaal in België, zouden worden opgepakt. L. de Jong zou volgens een bron van Venema nog in 1970 hebben verklaard dat hij dit nooit bekend heeft willen maken omdat hij Campert zijn verzetsaureool niet wilde afnemen. Hans Renders ontzenuwt deze roddel, zonder te kunnen openbaren wat dan wél de reden is geweest dat het NIOD documenten over Jan Campert heeft laten verdwijnen en waarom Martien Nijkamp, die samen met Campert werd gearresteerd en kort na hem in Neuengamme stierf, postuum het Verzetsherdenkingskruis kreeg toegekend en de dichter van `De achttien dooden' niet.

Waarschijnlijk zullen we de hele waarheid over Jan Camperts drijfveren om zijn leven in de waagschaal te stellen voor op de vlucht gejaagde joden nooit kennen. In een mooi en afgewogen naschrift stelt zijn biograaf dat het niet zijn bedoeling is geweest Campert bij te zetten als `goed' of `fout' in de oorlog. Hij geeft hem het voordeel van de twijfel. Zijn conclusie luidt dat Jan Campert al voor de oorlog verkeerde vrienden om zich heen had verzameld, zich niet altijd even karaktervol gedroeg, voor collaborerende bladen schreef en waarschijnlijk flink wat geld vroeg voor het over de grens zetten van joden. Maar, zo besluit hij: `In de hiërarchie der feiten waar het Jan Camperts wat dubbelzinnige leven tijdens de bezetting betreft, staat bovenaan dat hij op 12 januari 1943 in een concentratiekamp is bezweken.'

Hans Renders: Wie weet slaag ik in de dood. Biografie van Jan Campert. De Bezige Bij, 479 blz. €27,50

Jan Campert: Dat ik van binnen brand. Een keuze uit de gedichten. Samenstelling en nawoord Hans Renders. De Bezige Bij, 96 blz. €18,50