Beestje in het hoofd

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Bjistje in min uoft' van Flip Kowlier, een onverstaanbaar maar ontroerend West-Vlaams lied.

Er kwam een heel iel liedje uit de radio gekriept. Onopvallend, met een zacht zingende stem, buitenlands. Ik hoorde wat Faroërse woorden, en daar opeens doorheen: `minibar'. En toen, in dezelfde taal, of was het Noord-Deens, weer een hele hoop woorden, afgesloten met: `telephone'. En zo verder: algemeen beschaafd koeterwaals (`enda mookt mibli') met her en der wat internationale invloeden.

Wel een bijzonder, intiem, eenvoudig wijsje intussen: heel ontspannen, en toch ook wat melancholiek, met iets van country en folk erin (steelguitar). Het zou van een onbekende rondtrekkende Amerikaanse singer-songwriter kunnen zijn, voor deze gelegenheid nu eens zingend in een fantasiedialect en op de achtergrond nu eens begeleid door een heel subtiel meehummende hees-sensuele zangeres.

Bij de afkondiging bleek ik geluisterd te hebben naar Flip Kowlier. Ik was een van de velen die zijn West-Vlaams hadden versleten voor een thans vrijwel uitgestorven Scandinavische streektaal. En ook een van de velen die ondanks de onverstaanbaarheid ervan, ook voor West-Vlamingen zelf, toch was geraakt door de muziek. Ziehier in het kort het kleine wonder van Flip Kowlier, bekend en beroemd als rapper van 't Hof van Commerce, maar sinds 2001 ook als schrijver en zanger van breekbare liedjes. Wat ik had gehoord was `Bjistje in min uoft' (`Beestje in mijn hoofd'), van zijn tweede cd In de fik (2004). En die zangeres bleek niemand minder dan Geike Arnaert, van Hooverphonic.

Waarover zongen zij? Dat bleek, ook na bestudering van de bijgeleverde tekst, nog niet zo eenvoudig vast te stellen. In het eerste deel lijkt Flip zich in een hotel te bevinden. Hij belt met zijn vriendin. Of is het zijn ex-vriendin? De toon is verwijtend: `en ge mist mie echt nie/ ook al zegt je van wel'. Ze luistert niet naar hem, blijft intussen gewoon tv-kijken, stelt steeds dezelfde, en ook nogal duffe vragen. `Ist goe were doa?' Tot overmaat van ramp begint ze ook nog over haar moeder te zeuren. Maar toch lijkt dat de pret niet te kunnen drukken. De zanger zit op veilige afstand, en hij klinkt volledig ontspannen als hij de refreinregel gaat zingen: `en da moakt mi bli'.

Is er ook nog iemand anders bij hem in het hotel? Het lijkt er wel op. Flip vraagt: `Pak mie vast, meiske' want `ki da nuodig nu'. Heeft hij liefdesverdriet, behoefte aan troost of is hij om wat voor reden dan ook een beetje in de war? Hij mompelt wat en dan komt hij met de mededeling dat er een `bjistje in min uoft' zit. Hij voegt er meteen aan toe dat er niemand is die 't geluoft. Wat voor beestje zou dat kunnen zijn? Een droefenisbeestje, een drugsbeestje, of een beestje dat zo af en toe eens wat draadjes losknaagt? `Oak skeel kieke kan ket zien', zingt hij: als ik scheel kijk, kan ik het beestje zien zitten. Dat denken wij inmiddels ook.

Hij praat nog maar eens wat, over een foto van hem in een pulpblad. Toen de foto werd genomen zat hij van binnen te lachen, vertelt hij, maar niemand had dat door – en dat maakt hem dan weer blie. Zou dit een belangrijke onthulling zijn? Of alleen maar het lijpe gepraat van iemand die al te ver heen is en nog maar wat in zichzelf zit te grinniken? Het lied wekt niet de indruk daar vandaag nog een antwoord op te willen krijgen. Laat verder maar. Flip is blie. En, nog belangrijker: Flip is volledig ip 't gemak.

Een fragment van `Bjistje in min uoft' is te beluisteren via www.nrc.nl