Alle rijgveters los

Ik kan wel zeggen dat het een tamelijk bekend gedicht is, van een tamelijk bekende dichter, en dat het dus misschien wel als algemeen bekend beschouwd zou moeten worden, maar toch doet dat er bij het lezen van gedichten niet toe. Alle poëzie is altijd weer nieuw, net als muziek. Een goed gedicht is nooit gesneden koek.

Zo stuitte ik weer eens, maar het was als voor de eerste keer, op `To his mistris going to bed' van John Donne (1572 - 1631), een gedicht aan zijn vrouw of geliefde, bij het naar bed gaan. Ik moet het meer dan eens onder ogen hebben gehad, maar toch was ik weer verrast: door de levendige, ongeduldige toon, meteen vanaf het begin. `Come, Madam, come' zegt de dichter. Dat is nog eens wat je noemt met het belangrijkste beginnen. Kom, kom! `All rest my powers defie', al dat getreuzel kwelt mij. Er zit een mooie tegenstelling in tussen rust en arbeid, wachten en werken. `Until I labour, I in labour lie.' Zolang ik nog niet aan de slag kan, moet ik pas echt hard werken.

Hij voegt er nog een ander beeld aan toe, ontleend aan het krijgswezen: een man die de vijand in zicht krijgt maar nog niet tot de aanval mag overgaan, wordt altijd erg moe van het staan en van het staan wachten. Hier begint zich al de vraag op te dringen waar het gedicht nu naar toe wil: drijft het met allerlei beeldspraken weg van de slaapkameraanleiding of wil het om zo te zeggen toch wel dicht bij huis blijven? Betekent `tired with standing' hier alleen maar `moe van het staan', gezegd van iemand die klaar is voor de strijd maar moet wachten, en dus moeie voeten en kramp in de kuiten krijgt? Of betekent het ook, en misschien wel vooral, dat de dichter een stijve heeft? Een Ständer, zoals de Duitser zegt? Hij heeft hem staan, en hij wordt er moe van als dat nog heel lang zo moet blijven?

Alles wijst erop dat het laatste het geval is. `Off with that girdle' is de eerste, er meteen op volgende aansporing: doe af die gordel. En: `unpin that spangled breastplate which you wear'. Wij zouden nu zeggen: BH uit. `Unlace yourself': alle rijgveters los. `Off with that happy busk': uít, dat corset. `Your gown going off': jurk uit. `Off with that wiry coronet': weg met dat lastige kroontje. `Now off with those shooes': en nu je schoenen uit. In hoog tempo volgen de stripteasebevelen elkaar op: off, off, off, off. Het heeft iets honds en horkerigs; vergelijk duizend dienstplichtigen in een legertent bij een optreden van Luv': `Broek uit! Broek uit! Broek uit!'

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er, tussen de opgewonden aansporingen door, nog heel wat fijne dichterlijkheden gefrommeld zijn. Het uittrekken van de jurk bijvoorbeeld werpt een heel nieuw licht op de schoonheid van de mistris: `such beautious state [...] / as when from flowry meads th'hills shadow steals.' Jan Eijkelboom vertaalt: `de val van uw gewaad onthult schoonheden / als van een bergwei plots in 't licht getreden.' Of, net iets anders, in de vertaling van Pé Hawinkels: `uw jurk onthult een pracht als bloemenweiden, / waar heuv'lenschaduw steels vandaan komt glijden.'

De geliefde is nu geheel ontkleed, op een wit onderkleed na. Als het aan de dichter lag zou zij nu bij hem in bed kunnen komen. Het is een `zacht' bed, natuurlijk, en een `veilige' plek bovendien, en ook nog eens een heilige liefdestempel, volgens hem. Maar zo snel geeft de dame zich niet gewonnen. De dichter zal met nieuwe beelden en redeneringen de boog gespannen moeten houden.

Zij zou, in het wit immers, een engel kunnen zijn, en dan niet een engel uit de gewone christelijke hemel, maar uit `Mahomets Paradice', de mohammedaanse hemel waarin veel erotisch genot en zinnelijk genoegen voorhanden is. Of zou zij juist een boze geest zijn, een spook? Die zijn ook altijd in het wit gekleed, dat is waar, maar zij zorgen ervoor dat iemands haren recht overeind gaan staan. Terwijl de dichter nu net heeft gemerkt dat door deze witte verschijning zijn haar niet overeind is gaan staan, maar wel iets anders: zijn vlees (`these angels set our flesh upright').

Als zijn opdringerigheid nog steeds onbeantwoord blijft, rest hem niets anders dan driftig door te gaan met nog weer eens nieuwe vergelijkingen. Nu wil hij een doler worden, overal, in alle uithoeken van haar lichaam: `mijn handen willen zwerven, laat hen door, / beneden, tussen, achter, boven, voor.' En als hij niet haar lichaam zelf letterlijk mag ontdekken, dan wil hij het maar denkbeeldig doen, als een ontdekkingsreiziger in nieuwe werelden – een eeuw na Columbus. `O my America!' zo noemt hij haar, `my new-found-land' en `my kingdome' – waarvan hij de bevolking liefst zou beperken tot maximaal één inwoner. Zij is nog wel meer: `my myne of precious stones'. Dat is: `mijn mijn van edelstenen' (Hawinkels), of `mijn rijke mijn' (Eijkelboom), waar nog veel aan te ontginnen valt.

Onder de barokke spitsvondigheden is de hitsigheid nog steeds voelbaar. Veel uitroeptekens! Hoog opgeschroefd tempo, snel rijm, spreektaalwendingen, ongeduldige overgangen, veel ad hoc vergelijkingen. Waar vind je nog een verrukte uitroep als `Full nakedness!', meteen gevolgd door `all joyes are due to thee'? Voor deze gelegenheid is de dichter geen redenering te min. Daarom volgen nog maar eens wat quasi-theologische argumenten: zoals zielen zich uit een lichaam moeten bevrijden, zo moeten lichamen zich van hun kleding ontdoen, om de ware vreugde deelachtig te worden.

Zou het waar zijn? Of zou er, nog verrassender, achter al deze lofzangen op de naaktheid juist een theologische dubbele bodem schuilgaan? Dat was waar ik gaandeweg steeds meer rekening mee begon te houden: dat we in dit gedicht uit ongeveer 1595 uiteindelijk toch een religieuze allegorie moesten gaan lezen. Maar het gebeurt niet. De dichter gaat zich opnieuw vermeien in allerlei ingewikkelde theologische argumentaties die opnieuw maar één doel lijken te hebben: de vrouw te bewegen tot het uittrekken van haar laatste kledingstuk en zich aan hem toevertrouwen `as to a midwife', als aan een vroedvrouw. Iedereen zal zich een voorstelling kunnen maken van de aard van het inwendige onderzoek dat dan door deze mannelijke vroedvrouw verricht zou gaan worden.

Eerste verrassing van dit lange, 48 regels tellende gedicht: geen moraal. Tweede verrassing: geen succes. Hier probeert iemand iemand anders het bed in te praten, maar aan het slot ligt hij nog steeds op haar te wachten. Ondanks de vanaf de allereerste regel aanwezige opdringerige toon gaat de vrouw maar steeds niet in op de seksuele verlangens van de man. `What needst thou have more covering than a man' luidt de laatste regel. Ik ben naakt, ik ben er helemaal klaar voor, wat zou je nu nog beter kunnen bedekken dan een man? Wat wil je nog meer?

We zullen nooit weten wat het antwoord was. De vrouw is het hele gedicht niet aan het woord gekomen. Wat wij lezen is een monoloog, van een opgewonden dichter. Hij heeft hem staan, nu al ruim vier eeuwen lang. En zijn laatste vraag heeft hij hangen, in de lucht, lichtjes wanhopig, nog steeds – nu ook al weer ruim vier eeuwen lang.