Wel zien, maar niet meedoen

Criminelen kunnen journalisten gebruiken, waarschuwen politie-commissarissen. ,,Dan hebben we een probleem.''

Journalisten hebben bij de uitoefening van hun beroep verschoningsrecht. Zo kunnen ze hun bronnen beschermen. Maar als ze direct betrokken zijn bij criminele activiteiten, hebben ze niet meer rechten dan gewone burgers. Dan zijn ook opsporingstechnieken als het afluisteren van de telefoon gerechtvaardigd.

Algemeen secretaris H. Verploeg van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is de eerste die dat zal bevestigen. In een gesprek met de voorzitter van het college van procureurs-generaal, de Wijkerslooth, is dat van de kant van het openbaar ministerie ook aangegeven. Als het voorkomt dat journalisten zelf betrokken zijn bij criminele activiteiten, dan mag er getapt worden.

Volgens Verploeg hebben journalisten soms meer ruimte dan opsporingsambtenaren om aan informatie uit het criminele circuit te komen. Maar het breukvlak ligt volgens Verploeg bij het moment waarop een journalist gaat deelnemen aan die criminele activiteiten. ,,Dat mag nooit'', vindt Verploeg.

De vraag of journalisten misbruikt worden door criminele organisaties is (opnieuw) actueel, sinds eerder dit jaar vertrouwelijke gegevens over liquidaties in de Amsterdamse onderwereld en de vastgoedmarkt uitlekten, opdoken in het criminele circuit en vervolgens terechtkwamen bij sommige media. De Amsterdamse hoofdofficier van justitie, De Wit, schakelde de rijksrecherche in, omdat het vermoeden bestond dat topfunctionarissen in het hoofdstedelijke opsporingsapparaat mogelijk tegen betaling die informatie had laten lekken.

Betrokkenen bij dat onderzoek bevestigen dat ook sommige journalisten mogelijk een rol hebben gespeeld bij de verspreiding van die vertrouwelijke stukken. Want het doel van die verspreiding zou onder meer zijn geweest om onrust te zaaien in het opsporingsapparaat dat zich met liquidaties bezig hield. In het kader van dat onderzoek zijn ook journalisten door de rijksrecherche als getuige gehoord en zouden ook telefoons van journalisten zijn afgeluisterd, zo schreef De Telegraaf afgelopen zomer.

Afgelopen zomer publiceerde de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) een rapport over de georganiseerde criminaliteit, met daarbij de constatering dat criminelen er professionele mediastrategieën op nahouden. Hierbij zouden journalisten kunnen worden benaderd om te bewerkstelligen dat ,,zij in hun publicaties, al dan niet willens en wetens, een te gunstig beeld van de georganiseerde criminaliteit schetsen''.

De Raad van Hoofdcommissarissen kondigde deze week aan, dat fenomeen van strategieën van de onderwereld en de mogelijke betrokkenheid van journalisten daarbij, in kaart te willen brengen.

NVJ-secretaris Verploeg kan zich twee incidenten herinneren waarbij hij via de recherche of het openbaar ministerie te horen kreeg dat een bij de NVJ aangesloten lid betrokken was bij dubieuze praktijken.

Een keer betrof het een Turk die zich als NVJ-lid had aangemeld met vervalste papieren van een krant uit Istanbul. De tweede keer betrof het een ,,semi-uitgever die betrokken was bij onfrisse praktijken''. Beiden zijn uit de vereniging gezet. ,,Maar de journalistiek is een beroepsgroep die zich niet laat registreren of controleren. Je hebt de status van journalist op het moment dat je publiceert.''

Het is volgens Verploeg aan de hoofdredacties om in de gaten te houden hoe hun misdaadverslaggevers opereren, en ze zo nodig te verzekeren van juridische ondersteuning. Als er bij de NVJ een serieuze melding binnenkomt over een bij criminele activiteiten betrokken journalist in dienst van een regulier medium, zal dat volgens Verploeg hoog worden opgenomen. ,,Dan hebben we een ernstig probleem. Dan zullen we contact met betrokkene opnemen en met zijn hoofdredacteur. Dat is dan onze taak als brancheorganisatie, al was het maar om te voorkomen dat de reputatie van de journalistiek zou kunnen wegglijden.''