Vrouwen van Venus, mannen van Mars?

Door stereotypen toe te passen op managers en crècheleiders krijgen professionals wegens hun sekse standaardetiketten opgeplakt. Die zijn vaak niet waar en ook gevaarlijk, menen Mineke van Essen en Janka Stoker.

Afgelopen zomer was sprake van een hype over mannelijke crècheleiders. Die zouden uitdagender en creatiever zijn dan al die zorgzame maar veel te disciplinerende leidsters. Met name de jongens zouden hieronder lijden, zeker omdat ze in hun verdere schoolloopbaan door de overkill aan leraressen ook al weinig stimulerende prikkels meer krijgen. Daardoor presteren jongens slechter dan meisjes en neemt de agressiviteit onder hen toe. Dat er tot nu toe nog geen onderzoek is geweest dat sekseverschil in prestaties laat zien, doet er kennelijk niet toe. Dat twintig jaar geleden het tegenoverstelde werd beweerd evenmin.

Het is toch duidelijk dat vrouwen van Venus komen en mannen van Mars? Het gaat juist om het erkennen van `de schoonheid van het verschil', aldus de titel van het boek van psychologe en therapeute Martine Delfos. In een interview met NRC Handelsblad (Wetenschap & Onderwijs, 20 november) beklemtoont Delfos vanuit een evolutionair perspectief het belang van aandacht voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Het verschil ligt volgens haar in de verschillende reacties die mannen en vrouwen hebben op gevaar. Mannen ,,zoeken het in actie'', dus vechten of vluchten. Vrouwen zoeken de veiligheid op door ,,lief gevonden te worden''. Alleen door dit soort verschillen tussen de seksen te erkennen, kan volgens haar ,,een realistische en diepe emancipatie'' bereikt worden.

Het benadrukken van de sekseverschillen gebeurt niet alleen in de boeken van Delfos, het wordt ook in praktijk gebracht en ingezet als argument voor het inhalen van achterstanden. De nadruk op verschillen en diversiteit dient als middel om de maatschappelijke gelijkheid tussen de seksen te bevorderen. Dat laatste is nog steeds nodig. Al zijn de opleidingsmogelijkheden en -resultaten van mannen en vrouwen de afgelopen decennia aardig gelijkgetrokken, op de werkvloer zit nog veel scheef.

Onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken geeft aan dat in het jaar 2000 vrouwen in het bedrijfsleven, gecorrigeerd voor de verschillen in achtergrondkenmerken, 5 procent minder verdienden dan mannen. Bij de overheid was dit 3 procent. De European Boardwoman Monitor uit 2004 laat zien dat er weinig vrouwen in Europese boards zitten, en dat er bovendien grote verschillen zijn tussen de landen. Nederland wordt getypeerd als middle-of-the-road-land. En dat is dan tenminste nog iets beter dan wanneer het om het aandeel vrouwelijke hoogleraren gaat. Daar heeft Nederland lange tijd in de onderste regionen gebungeld.

Het wordt tijd dat hier een eind aan komt, daarover is vrijwel iedereen het eens. Zowel qua beloning als in topposities moet er meer gelijkheid komen tussen mannen en vrouwen. Een van de opvallendste argumenten die organisaties hanteren om dit doel te bereiken is het ventileren van de gedachte dat vrouwen beter leiding kunnen geven dan mannen. Juist in het huidige tijdsgewricht zou behoefte zijn aan leidinggevenden die goed kunnen coachen; een eigenschap waar vooral vrouwen over zouden beschikken. Dus gaan bedrijven koortsachtig op zoek naar zogenaamd vrouwelijk leiderschap.

Ook in onderzoek wordt gespeurd naar verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke managers, waaruit recent is gebleken dat vrouwen inderdaad anders en volgens de onderzoekers beter leidinggeven dan mannen. Zo zouden vrouwen door het glazen plafond kunnen breken. Een prima middel dus, dat verschil-argument. Althans, zo lijkt het. Maar wat gebeurt er als het tij plotseling keert? Als, in tijden dat organisaties de buikriem moeten aanhalen, in plaats van een coachend juist een sturend en resultaatgericht leiderschap weer in de mode raken? Vliegen al die vrouwelijke managers dan regelrecht de laan weer uit? Hoe gevaarlijk, met andere woorden, is eigenlijk het koketteren met verschillen?

Samen met ras en leeftijd vormt sekse de `grote drie' als het gaat om stereotypering, een van de thema's uit de sociale psychologie. Een stereotype betreft ,,characteristics that we apply to others on the basis of their national, ethnic, or gender groups'' (Schneider, 2004). Stereotypen zijn daarmee generalisaties over mensen. Doordat ze de sociale wereld simplificeren, helpen ze de complexiteit van de omgeving te beheersen, betoogde journalist Lippmann al in 1922. Verschillende theoretici na hem hebben verklaard dat stereotypen erg hardnekkig en moeilijk te veranderen zijn. Bovenal doen ze geen recht aan individuele verschillen. Toegepast op managers en crècheleiders krijgen deze professionals vanwege hun sekse dus standaardetiketten opgeplakt die wel mooi maar lang niet altijd waar zijn.

De geschiedenis staat bol van stereotie- pe ideeën over de schoonheid van het verschil.

,,De vrouw onderscheidt zich van de man door de veel sterkere eenheid van lichaam, ziel en geest, door de gedrevenheid vanuit één ziele-centrum. De oergrond van haar wezen is moederlijkheid, die als eerste noodzakelijke eigenschap de offerbereidheid vraagt. Het geheim van haar ziel, het eeuwig-vrouwelijke ligt in de gestadige beweging tussen overgave en terughouding, het evenwicht daartussen maakt haar trots en haar eer uit'', aldus de katholieke psychologe Sis Heyster in 1946. En de Martine Delfos van het interbellum, A.C. Veen-Brons, voerde een ware kruistocht tegen de seksegelijkheid. Niet `den échten man en de échte vrouw' maar `verslapte, gedegenereerde of uitmiddelpuntige gevallen' zouden de toon aangeven, met maatschappijbrede `ontreddering en verwarring' als gevolg.

Het is opmerkelijk hoe weinig dergelij- ke archaïsch en ouderwets aandoende teksten verschillen met die welke het Vaticaan afgelopen zomer bij monde van kardinaal Ratzinger lanceerde.

Het zijn mythen die niet alleen vroegen om seksescheiding in de samenleving van alledag en op de werkvloer, maar die segregatie ook nog eens legitimeerden. Pas sinds feministen hebben ingezet op gelijkheid, in Nederland zo vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw, is gaandeweg het tij gekeerd. Eerst voornamelijk in formele zin, waardoor vrouwen mochten studeren, het kiesrecht veroverden en – mondjesmaat maar toch – toegang kregen tot professionele mannenberoepen zoals de medische stand, de advocatuur of de journalistiek. Vervolgens stond het proces decennialang vrijwel stil en maakte het in sommige opzichten zelfs een teruggang door. Tussen 1930 en 1960 bleef het aandeel vrouwelijke studenten bijvoorbeeld steken op 18 procent van het totaal en liep dat in de tussenliggende periode tijdelijk terug naar 15 procent. Pas toen een herlevend feminisme, geïnspireerd door de roep om maatschappelijke gelijkheid en democratisering van de jaren '60, opnieuw gelijke rechten ging bepleiten, kwam het emancipatieproces weer op gang.

Maar residuen van het verschil ijlden nog lang na. Twintig jaar geleden stond in Nederland nog ongeveer hetzelfde in de wet als honderd jaar eerder: op basisscholen liever geen mannen in de onderbouw en geen vrouwen in de bovenbouw. Een late erfenis van de mythe dat de kwetsbare kleintjes het beste leerden lezen aan de koesterende hand en met het eindeloos geduld van de vrouw, terwijl de man beter complexe rekensommen kon uitleggen of lastige jongens kon disciplineren. Nu ook in Nederland vooral vrouwen voor de klas staan, zelfs in de bovenbouw, doen de pleitbezorgers voor `meer mannen op de crèche' een beroep op ditzelfde stereotiepe denken. Onder de sympathieke dekmantel van het jongensbelang zingen zij het oude liedje. Meehuilen met deze wolven in het bos is, in het licht van het verleden, op z'n zachtst gezegd riskant. Al kan niemand nog overzien welke verrassingen de mythe van het sekseverschil deze keer voor vrouwen in petto zou kunnen hebben, het doemscenario van gesegregeerde mannen- en vrouwenwerelden, al dan niet hiërarchisch geordend, ligt nog altijd op de loer.

Verschil inzetten om gelijkheid dichterbij te brengen is dus een strategie met gevaarlijke kanten. De hype-gevoeligheid en daarmee de inwisselbaarheid van stereotiepe kenmerken die bij een sekse zouden horen, is bijzonder groot: wat op dit moment leidt tot promotie van vrouwelijke managers kan binnen korte tijd de reden zijn voor demotie.

Ook de korte excursie naar het verleden levert voor het bewieroken van het verschil als strategie geen ondersteuning op. Het lijkt zelfs contraproductief te zijn geweest. Inzetten op gelijkheid heeft per saldo meer opgeleverd. De veranderingen die zich de afgelopen decennia in het leven van vrouwen en mannen hebben voltrokken, heten in het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 ,,een kleine revolutie''. Daaraan afgemeten zijn de resterende achterstanden als weinig meer dan futiliteiten te typeren. De opgepoetste wonderlamp van het verschil speelt het Vaticaan en al die andere conservatieven dan wel tijdloze propagandisten van de koesterende kwaliteiten van vrouwen in de kaart. Wie koketteert met de mythe van het sekseverschil werkt uiteindelijk het emancipatieproces tegen.

Mineke van Essen en Janka Stoker zijn hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen bij de faculteit der psychologische, pedagogische en sociologische wetenschappen en de faculteit bedrijfskunde. Stoker is tevens adviseur bij bureau Berenschot.