Verdonk is het spoor bijster

Minister Verdonk heeft zich er aan gestoord dat een iman haar geen hand wil geven, en ik heb mij erover verbaasd. Ik treed als historica van het jodendom herhaaldelijk op voor gezelschappen waar mannen vrouwen geen hand geven, en ik erger me daar niet aan. Dit terwijl mij een feministisch verleden niet ontzegd kan worden. De minister heeft de imam in kwestie verwijtend gevraagd of zij dan niet zijn gelijke is. Dat is zij inderdaad niet, als minister is zij hem op alle fronten de baas, en het enige dat zij heeft gedaan is in het openbaar zijn gezag ondermijnen. Dat is niet alleen schadelijk voor de broodnodige dialoog, het is ook onfatsoenlijk.

Afgelopen zondag, toen het gedrag van de minister bekend werd, vierde de vereniging Deborah, die gedomineerd wordt door religieuze joodse vrouwen, haar 25-jarig jubileum. Geen van die vrouwen ergert zich aan het niet geven van een hand, ook al liggen deze vrouwen in de vuurlinies voor verandering in de religieuze gemeenschap. Integendeel, hun aandacht is gericht op emancipatie in eigen kring. Zij hebben geleerd hoe je in het gewone leven antwoord kunt geven op vooroordelen, ze studeren samen op vragen over hun joodse afkomst, ze praten over de problemen van vrouwen die tijdens de oorlog ondergedoken zijn geweest, en wie wil verdiept zich in religie.

Ik hield een lezing over joodse feministische vrouwen zoals Aletta Jacobs, Rosa Manus, Anna Polak – vrouwen die tijdens hun leven de grenzen van hun bestaan hadden onderzocht en verlegd, vrouwen die er aan gewend waren dat mannen vrouwen geen hand geven. Net als een aantal schrijfsters hebben zij zich over het verlaten van hun traditionele culturele patronen soms tot gekmakens toe ongemakkelijk gevoeld – kind van twee werelden. Ik denk dat die hand niet hetgene was dat hen stoorde, net zoals ik me er niet aan stoor. Minister Verdonk wilde óf haar gelijkheid bevestigd zien, óf ze wilde provoceren. Ik houd het op het laatste.

Wat is dat voor een wereldbeeld waarin een minderheidsreligie/cultuur de normen en waarden van de dominante cultuur moet overnemen, zonder dat respect bestaat voor verschillen die er nu eenmaal zijn? Ik heb van huis uit als `normen en waarden' meegekregen dat je je netjes gedraagt, dat je respect betoont vor de ander. In christelijke kerken en in gebouwen van andere religies gedraag ik me, en indien nodig kleed ik me gepast en ik heb respect voor wat voor anderen oprechte gevoelens zijn. Ook al staan de joodse en christelijke bijbel vol met voor vrouwen discriminerende teksten, waarover felle discussie is, het zou niet bij me opkomen iemand daarom te koeioneren.

Joden zijn een gerespecteerde minderheid in de samenleving, en zeker sinds de shoah is er alle begrip voor mogelijke gevoeligheden die in het moderne jargon `lange tenen' heten. In de luwte van een hun goedgezinde omgeving is de groep steeds meer opgegaan in de dominante cultuur door gemengde huwelijken, door gebruik te maken van goede opleidingen en door zich het `osmgedrag' eigen te maken. Ieder heeft dat gedaan op een andere manier.

Sommige meer religieuzen geven inderdaad geen hand. Ik beschouw het als een uiting van mijn volwaardig burgerschap dat ik mij daar niet aan stoor. Ik treed daarmee in het voetspoor van de vrouwen over wie ik een lezing hield in de wetenschap dat ik met de wet op het kiesrecht en met de wet op de handelingsbekwaamheid van vrouwen formeel gelijke rechten heb.

Het feminisme dat zijn oorsprong vindt in de strijd voor gelijkheid, heeft de minister onheuselijk geprobeerd te kapen. Onder het mom daarvan heeft zij getoond geen manieren te hebben, maar zij heeft daarmee ook geageerd tegen een wereldbeeld dat voorwaarde is voor die gelijkheid. Als ik premier Balkenende was en mijn mond vol had over normen en waarden, dan zou ik deze minister, die kennelijk op zoek is naar het bewijs voor mislukte integratie, in het openbaar om haar slechte voorbeeld een schrobbering geven.

Selma Leydesdorff is historica en hoogleraar aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.