Het gevaar komt ook van binnen

De georganiseerde misdaad in Nederland wordt de laatste jaren serieus aangepakt, zeggen de hoofdcommissarissen van politie. Maar er is nog veel te weinig zicht op bijvoorbeeld de banden tussen legale dienstverleners en criminelen.

Meer dan een kwart van de verdachten die vorig jaar voorkwamen in lopende of afgesloten strafdossiers is ook te vinden in de registers van de Kamers van Koophandel. Vaak met vermelding van beleidsbepalende functies. Korpschef Ruud Bik van het regiokorps Zuid-Holland noemt dat percentage als voorbeeld dat de aanpak van georganiseerde criminaliteit niet alleen een taak van politie of Justitie is. Ook het openbaar bestuur of, in dit voorbeeld, de Kamers van Koophandel kunnen daarbij met bestuurlijke maatregelen een rol spelen. Zo is sinds vorig jaar voor inschrijving bij de Kamer van Koophandel voor een besloten of naamloze vennootschap een `verklaring van geen bezwaar' van het ministerie van Justitie nodig.

Bik schreef namens de raad van hoofdcommissarissen een reactie op het rapport `Nationaal dreigingsbeeld zware of georganiseerde criminaliteit' van de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) dat afgelopen zomer verscheen. Dat rapport is de eerste grote inventarisatie van de georganiseerde criminaliteit in Nederland sinds acht jaar geleden de onderzoeksgroep-Fijnaut dit deed voor de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa.

Het opsporingsapparaat dat zich bezig houdt met georganiseerde criminaliteit is sindsdien fors uitgebreid, aldus Bik. Door de komst van bovenregionale rechercheteams en begin dit jaar de Nationale Recherche ,,hebben we een redelijk beeld over wat er speelt in dat criminele circuit. Dat heeft ook de aansturing een stuk eenvoudiger gemaakt.''

Maar dat betekent niet dat het automatisch duidelijk is welke opsporingsinstantie verantwoordelijk is voor deelonderzoeken, zo schrijft de raad van hoofdcommissarissen. ,,Een situatie zoals die zich heeft voorgedaan met bolletjesslikkers, waarbij geen van de recherchediensten zich geroepen voelde om probleemeigenaar te zijn, mag in de toekomst niet meer voorkomen. Waterscheiding op basis van starre criteria is uit den boze.''

Zowel in het dNRI-onderzoek als in de reactie van de hoofdcommissarissen wordt specifieke aandacht gevraagd voor de gevaren `van binnen uit', de mate waarin de georganiseerde criminaliteit erin slaagt om voet tussen de deur te krijgen bij overheidsinstellingen of vrije-beroepsgroepen. Nog steeds een blinde vlek, zo wordt geconstateerd. Allochtone ambtenaren van de Vreemdelingendienst die landgenoten hebben bevoordeeld bij het verstrekken van verblijfsvergunningen, bijvoorbeeld. Of tolken van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) die opzettelijk foute vertalingen doorgaven en recent de allochtone medewerker van de Algemene Inlichtingen en veiligheidsdienst (AIVD) die vertrouwelijke informatie lekte naar de terreurgroep rond Mohammed B.

In het opsporingscircuit van de recherche zijn aanwijzingen dat criminele organisaties proberen te infiltreren in het openbaar bestuur. Maar de omvang ervan is nooit in kaart gebracht. In het rapport `Nationaal dreigingsbeeld' van de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) worden die fenomenen dan ook de `witte vlekken' genoemd in de kennis over de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

Onderzoek moet in die leemte voorzien, zo stellen de hoofdcommissarissen in hun reactie. Dat geldt niet alleen voor louche advocaten, dienstverleners of mogelijk sommige journalisten. Zowel het dNRI-onderzoek als de hoofdcommissarissen maken gewag van zogeheten ,,invloedrijke derden''. Onderzoek naar dat fenomeen noemen de hoofdcommissarissen zelfs een prioriteit. Daarbij gaat het om personen die in staat zijn om privileges voor verdachten af te dwingen of zelfs justitiële onderzoeken te laten staken.

Hoofdcommissaris Bik wil over de `invloedrijke derden' verder geen mededelingen doen. ,,Maar de aanwijzingen dat dergelijke praktijken hebben plaats gehad, zijn er.'' In het dNRI-onderzoek wordt een voorbeeld genoemd van een groepering die bij bevriende en invloedrijke zakenrelaties met ernstige economische schade dreigde wanneer een justitieel onderzoek niet gestaakt zou worden. ,,Het gebruik van invloedrijke derden kan alleen plaats vinden door criminele groeperingen die een zekere macht en prestige verworven hebben.''

Over de vraag of journalisten zich bewust laten misbruiken door criminelen laten de opstellers van het dNRI-rapport zich niet uit. ,,Journalisten kunnen worden benaderd om te bewerkstelligen dat zij in hun publicaties , al dan niet willens en wetens, een te gunstig beeld van de georganiseerde criminaliteit schetsen. daarnaast kunnen de media ook op een minder directe wijze worden gebruikt door criminelen'', is de constatering.

De hoofdcommissarissen willen grote onderzoeken naar de georganiseerde criminaliteit in het vervolg afsluiten met een bestuurlijk advies aan het openbaar bestuur of brancheorganisaties om herhaling van de onderzochte delicten zoveel mogelijk te voorkomen.

De ministers Donner (Justitie, CDA) en Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) hebben in hun reactie dat voorstel omarmd. Remkes zal daarbij een coördinerende rol spelen, zo schrijven zij in een brief aan de Tweede Kamer. ,,Dat zal consequenties hebben voor de ambtelijke ondersteuning van de minister'', voorspelt Bik. ,,Een persoon zal daar toch minstens een volle dagtaak aan hebben.''