De export van gefilmde armoede

Ook beeldend kunstenaars maken tegenwoordig vaak documentaires. Op het IDFA leidde dat tot een debat vol spraakverwarring en irritatie.

Drie jongens liggen in de modder. Drie jongens rollen door het zand. Drie jongens drijven op hun rug in een regenplas en staren naar de wolken. Als deze beelden uit een speelfilm uit een voormalige Sovjet-republiek kwamen, dan zouden ze geroemd worden om hun poëtische kracht. Als deze jongens in arm Afrika woonden en een documentairemaker ze ving voor zijn lens, dan zou je als toeschouwer verheugd zijn dat deze kinderen `gewoon nog lekker konden spelen'. Nu zijn deze jongens er drie uit een autochtoon Nederlands gezin met zeven kinderen dat zich tot de islam heeft bekeerd en op een gekraakt haventerrein in Amsterdam woont.

De film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa en Dzoel-kifl van beeldend kunstenaar Joost Conijn draait op het zeventiende International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) in het door de Filmbank samengestelde programma ParaDocs: Warped Vision, een verzameling experimentele documentaires. Gisterenavond was er een debat over de vraag hoe de kruisbestuiving tussen de traditionele documentaire en de andere kunsten in de praktijk functioneert. De eerste vraag van gespreksleider Thijmen van Grootheest was echter of de kinderbescherming zich niet met deze kinderen bemoeide.

Steeds meer beeldend kunstenaars nemen een camera ter hand. Een ontwikkeling waarnaar vanuit de traditionele filmwereld vaak met de nodige scepsis wordt gekeken. Beeldend kunstenaars storen zich vaak niet aan de ongeschreven wetten van het genre en informatievoorziening staat zelden op de eerste plaats (Hebben de geportretteerde kinderen geen ouders? Hoeven ze niet naar school?).

De kunstenaars spreken zelf ook niet de taal die in de documentairewereld gebruikt wordt om over het medium te praten. In de Amsterdamse Balie leidde dat tot een avond vol irritatie en spraakverwarring. Eigenlijk is dat niet zo erg. Discussie is broodnodig op een groot festival als IDFA. Het gesprek over de films en de grenzen van het genre die ze opzoeken, stuurt de aandacht van de toeschouwer.

De makers in het Filmbank-programma zijn doorgaans niet alleen documentaire- of filmmakers. Ze kiezen het medium bij het verhaal wat ze willen vertellen, merkte producent Bruno Felix op. Het maken van films is een van de vele middelen waarvan ze zich kunnen bedienen.

Renzo Martens, de regisseur van Episode 1, bracht nog een ander punt naar voren: ,,Wat filmmakers van de hedendaagse beeldende kunst kunnen leren, is het bewustzijn van hun eigen aanwezigheid.'' Martens trok alleen, illegaal en met een HI8-camera naar Tsjetsjenië en vroeg daar in een decor van ruïnes en vluchtelingenkampen niet naar het welbevinden van de mensen dáár, maar naar wat zij over hém dachten. Een fascinerende manier om de werkelijkheid een kwartslag te draaien. Martens: ,,Een film als Darwin's Nightmare gaat niet over de export van vis of de import van wapens, maar over de export van beelden van armoede. Dat is trouwens op dit moment het belangrijkste exportproduct uit Afrika.'' In Tsjetsjenië liet hij zien dat mensen alleen voedsel krijgen als er een camera in de buurt is om dat te registreren. Het beeld wordt hun bestaansrecht.

Episode 1 is nog te zien vandaag om 18.15u in City 6. www.idfa.nl