Nederlander krijgt eindelijk lol in zelf beleggen

Het beleggingsfonds heeft een zeer lange geschiedenis in Nederland. Toch neemt nog altijd maar een kwart van de huishoudens deel aan een fonds. Dat gaat de komende jaren snel veranderen, denkt onderzoeker Brigitte Slot.

Voor een land met de oudste aandelenbeurs ter wereld, dat al enkele eeuwen het fenomeen collectief beleggen kent, heeft het beleggingsfonds een uiterst trage ontwikkeling doorgemaakt in Nederland. Pas eind jaren twintig van de vorige eeuw, toen in de Nederlandse pers de eerste artikelen verschenen over het succes van `investment funds' in Engeland en Amerika, werden de eerste officiële beleggingsfondsen opgericht (het nog altijd bestaande Robeco – een afkorting van Rotterdamsch Beleggingsconsortium – ontstond in 1929). Anno 2004 neemt nog altijd maar een kwart van alle huishoudens deel aan een beleggingsfonds.

Maar beleggingsfondsen zullen de komende jaren snel aan populariteit winnen, denkt Brigitte Slot, die vandaag aan de TU Delft is gepromoveerd op haar studie naar de ontwikkeling van het beleggingsfonds in de 20ste eeuw. Over twintig jaar zal het percentage huishoudens dat deelneemt in een beleggingsfonds waarschijnlijk verdubbeld zijn. ,,In de Verenigde Staten en Zweden belegt al de helft van de huishoudens in een fonds doordat men daar zelf voor het pensioen moet sparen'', volgens Slot, werkzaam op het ministerie van Financiën. ,,Die tendens tekent zich ook af in Nederland.''

De eerste bloeiperiode van de beleggingsfondsen in de 20ste eeuw was van korte duur: de fondsen die eind jaren twintig waren opgericht kwamen door de lange en diepe economische crisis nauwelijks van de grond en groeiden pas na het loslaten van de gouden standaard, in 1936. Dankzij de lage rente zochten veel spaarders hun heil in de fondsen. Slot: ,,De oorlogsdreiging hielp ook een handje. Kapitaalbezitters zochten via beleggingsfondsen in het buitenland een veilige bestemming voor hun geld.''

Het beleggingsfonds zag er in die jaren overigens heel anders uit dan nu, volgens Slot. ,,De aandelenportefeuilles lagen vast, in zogeheten vaste depots, en er werd alleen iets veranderd als een bedrijf bijvoorbeeld een paar keer geen dividend had uitgekeerd. Dat had te maken met het feit dat het publiek nog niet vertrouwd was met beleggingsfondsen, die werden beheerd door administrateurs. Men vond het laten beheren van zijn geld door vreemden al riskant, laat staan dat die aandelen ook nog telkens wisselden.''

Omdat de vaste samenstelling van een aandelenportfeuille ook niet ideaal bleek – er kon immers niet worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen – werden er na de oorlog geen vaste depots meer opgericht. Toch zou het tot 1975 duren voordat het laatste vaste fonds werd opgeheven. Slot: ,,Vaste depots waren achterhaald, maar dat gaf niet: in de jaren vijftig en zestig was elke belegging goed.''

Erg internationaal georiënteerd waren de fondsen in de jaren vijftig nog niet. Met bedrijven in de Verenigde Staten, Canada, Nederlands-Indië en Zuid-Afrika hield het wel zo'n beetje op. ,,Dat had niet zozeer te maken met een gebrek aan internationale oriëntatie'', aldus Slot, ,,als wel met de vele restricties aan het buitenlandse kapitaalverkeer. De Japanse beurs bijvoorbeeld ging pas in 1963 open voor buitenlandse beleggers.'' Pas eind jaren `50 werden beleggingen in Europa belangrijker.

Ondanks de optimistische naoorlogse jaren bleven beleggingsfondsen nog lang een elitaire aangelegenheid in Nederland. Begin jaren zestig had naar schatting 2 procent van de huishoudens aandelen of participaties in een beleggingsfonds. De Consumentengids besteedde pas in 1972 aandacht aan het verschijnsel. ,,Men bleef tot ver in de jaren zestig huiverig voor aandelen, omdat de crisis van de jaren dertig nog redelijk vers in het geheugen lag'', aldus Slot. ,,Bovendien hadden de meeste Nederlandse huishoudens nauwelijks genoeg geld over om `gewoon' te kunnen sparen.''

Toch waren de verwachtingen van de beleggingsfondsen hooggespannen. Zo beschouwde de regeringspartij KVP de fondsen als een nuttig instrument om de bezitsongelijkheid tussen de diverse lagen van de bevolking te verkleinen, zonder socialistisch te lijken. Er zouden speciale arbeidersbeleggingsmaatschappijen moeten worden opgericht waarin bedrijven een deel van hun winst zouden storten ten behoeve van de arbeider. Bovendien zouden beleggingsfondsen een bijdrage leveren aan de industrialisatie, zo was de verwachting.

Maar de deelname aan de fondsen was nog veel te gering om die verwachtingen waar te maken. In de jaren `70 liep het aantal uitstaande aandelen bij vrijwel alle Nederlandse fondsen zelfs sterk terug als gevolg van de koersdalingen in 1973-74 en het anti-kapitalistische klimaat. En toen in de jaren tachtig de deelname aan beleggingsfondsen wel substantieel groeide – de destijds populaire obligatiefondsen haalden 20 tot 25 miljard gulden op – was de discussie over het maatschappelijk nut van beleggingsfondsen allang naar de achtergrond verschoven. Beleggen was een puur individuele aangelegenheid geworden.

In de jaren negentig werden de beleggingsfondsen pas echt gemeengoed. De langdurige koersstijgingen, het zeer optimistische economische klimaat en de toenemende concurrentie tussen de fondsen – met veel nieuwe producten én publiciteit als gevolg – en de opkomst van telefonische en girale beleggingsmogelijkheden deden Nederlanders massaal warmlopen voor deze vorm van beleggen. Bijna 700.000 huishoudens (ongeveer 10 procent van het totaal) zetten in de jaren negentig de stap van sparen naar beleggen. Ruim een vijfde van de totale inleg in beleggingsfondsen in de periode 1929-2000 (33 miljard gulden) kwam binnen in het jaar 2000, becijferde Slot. ,,Ondanks de beurscrash stijgt het aantal beleggers nog steeds, zij het minder hard dan eind jaren negentig.''

Het product zelf zal de komende jaren veranderen, denkt Slot. Hedgefondsen, die veel risico nemen, zullen terrein winnen. En de fondsen waar een beheerder de touwtjes in handen heeft, zullen meer en meer plaats maken voor zogenoemde indexfondsen, die met behulp van een computermodel worden beheerd en een weerspiegeling zijn van de markten waarin ze beleggen. Maar zowel fondsbeheerders als beleggers zullen zich verzetten tegen die tendens: een beheerder geeft ondanks alles een vertrouwd gevoel. Slot: ,,Het publiek houdt ook niet van een metro zonder bestuurder.''

`Iedereen kapitalist. De ontwikkeling van het beleggingsfonds in Nederland gedurende de 20ste eeuw'. Uitgeverij Aksant, 544 blz. 35 euro.