Mijn angst voor het `D-woord'

Linkse lafheid, gedogen en tolerant zijn hebben velen de ogen doen sluiten voor het opkomend islamitisch fundamentalisme op scholen, meent Hans Lukkien.

De gedachte dat de opkomst van het islamitisch fanatisme in Nederland alles te maken heeft met de aanslagen in de Verenigde Staten van 11september 2001, doet nog steeds opgeld. Maar dat klopt niet.

Ik zag fanatisme, haat tegen het Westen en tegen Nederlanders al halverwege de jaren '90 in mijn toenmalige werkkring. Sinds 1975 werkte ik als idealistisch onderwijzer in het basisonderwijs in dienst van de gemeente Den Haag. Niet om het grote geld en zeker niet om status, maar om te kunnen bijdragen aan een betere wereld.

Witte, gele, bruine en zwarte Nederlanders, maar ook de kinderen van Marokkaanse en Turkse werknemers bevolkten onze school en als er al sprake was van discriminatie, dan was het eerder een omgekeerde discriminatie waarbij aan immigranten extra tijd werd besteed. Autochtone ouders vroegen zich wel eens bezorgd af of hun kinderen nog wel correct Nederlands zouden leren, maar wij wisten hen vaak gerust te stellen.

Op mijn Onderwijs Voorrangs School die in een vooroorlogse buurt stond, stopten wij veel energie in de leerlingen. Het was ons echter in de jaren '80 al duidelijk dat de zogenaamd `tijdelijke' gastarbeiders nooit naar hun landen van herkomst zouden terugkeren. Hoofddoekjes zagen wij bij onze islamitische leerlingen nooit. Wij besteedden aandacht aan de religie en feesten van onze leerlingen en zij vierden onze Nederlandse feesten. Ik had inmiddels van de politiek begrepen dat Nederland een immigratieland was geworden en ik zag op de Haagse markt het aanbod aan exotische producten toenemen. Ik geloofde en geloof nog steeds dat het voordelen heeft om van al die verschillende culturen te kunnen `proeven'.

Ik bemerkte in mijn werk een veranderende sfeer halverwege de jaren '90.

Inmiddels werkte ik in een Haagse wijk die rond 1960 was ontstaan. In die wijk staan naast duurdere huizen ook goedkopere huurflats waar zich binnen enkele jaren een totale volksverhuizing voltrok. `Blank' vertrok naar Zoetermeerse nieuwbouw en de lege plaatsen werden opgevuld door nieuwkomers uit de gesaneerde binnenstad.

Het aantal nationaliteiten op mijn school nam toe en dat veroorzaakte interculturele wrijvingen die mij tot dan onbekend waren. Koerden bleken Turken te haten, maar beide groepen waren plotseling `broedervolken' wanneer ze zich tegen een gezamenlijke vijand konden keren. Gemotiveerde leerkrachten werkten aan de begeleiding en ontwikkeling van deze kinderen, maar binnen de school moesten we steeds vaker tijd besteden aan het oplossen van ruzies en aan het voorkomen van geweld, tussen kinderen maar ook tussen ouders.

Een extra leerkracht kwam enige uren Arabische les geven aan Marokkaanse leerlingen. Jammer genoeg moesten deze kinderen dan de klas uit om bij hem een taal te leren die ze thuis niet spraken. Deze Berberkinderen leerden bij hem de koran uit hun hoofd in een voor hen onbekende taal en ze moesten daarbij in een onbekend letterschrift van rechts naar links schrijven. Dat bleek wel eens lastig als een uur later, terug in de klas, weer in een andere schrijfrichting gewerkt moest worden.

Ik was in die tijd laf-links en durfde over de Arabische les geen opmerkingen te maken, bang om politiek incorrecte uitspraken te doen. Gedogen en tolerant zijn was mijn leidraad. Overigens moest iedereen ál te kritische uitlatingen voor zich houden, want het was geen goede zaak voor de school en zeker niet voor jezelf als er op het stadhuis of bij het Meldpunt Discriminatie een klacht over jou binnenkwam. Ik voelde mij altijd gechanteerd met het

`D-woord', want sommige allochtonen voelden zich snel tekortgedaan, waren heel mondig als het om het `D-woord' ging en op het stadhuis werkten ook allochtonen. Ik moest aan mijn hypotheek denken.

Onder de nieuwe leerlingen zaten steeds meer asielzoekers met dramatische achtergronden. Vooral Somaliërs brachten, zo jong als ze waren, hun gewelddadige clan-cultuur met zich mee. ,,I kill you'', riep M. de hele dag tegen kinderen die met hem wilden spelen en sloeg er dan op los. Dat kwam omdat hij zielig was. Het begon ons op te vallen dat steeds vaker jongetjes geen gezag van hun eigen moeder of van de schooljuf respecteerden. ,,Ik geef je geen handje, want je bent mijn tante niet.''

Wij kenden ook de vaders die de juf geen hand wilden geven.

Ik heb dat altijd geslikt als cultuuruiting van een groep die je met voorzichtigheid moest behandelen.

Toen ik in mijn laatste fase als volledig opgebrande en gedeeltelijk afgekeurde, niet langer idealistische schoolmeester in alle klassen de arbeidsduurverkortingsdagen vervulde, hoorde ik steeds vaker schrikwekkende opmerkingen.

Een bloemlezing:

,,Mijn vader zegt: wij veel baby's, wij later de baas in Nederland.''

,,Dat land heet Palestina en niet Israël.''

,,Ik hoef niet te luisteren naar les over de kruistochten.''

,,Je vader is een kankerjood en je moeder is een kankerhoer.''

,,Jullie hebben rood haar en sproeten, omdat jullie varkensvlees eten.''

,,Ik geef geen hand en ik zeg geen `prettige kerst', want dat is een slecht feest en jullie branden allemaal in de hel.''

Ik liet mij steeds vaker verleiden om met zo'n vuurspuwend ventje in discussie te gaan en ik vroeg me dan hardop af waarom je als gast nog langer blijft in een land waar je het zo slecht naar je zin hebt. Mijn directeur drukte mij op het hart om dat vooral nooit te zeggen.

Die jongetjes waren tikkende tijdbommen en ik merkte hun lichtgeraaktheid zelfs in de les als er lage cijfers werden uitgedeeld na een proefwerk.

Om de multiculturele gedachte te bevorderen, mochten islamitische kinderen bij het Suikerfeest met lekkernijen de klassen rond. Bij het `slechte' Sinterklaasfeest bleven ze thuis, zonder sancties van de kant van de school.

Ik kreeg een pabo-studente met een hoofddoek en toen wij samen de scheiding van kerk en staat bespraken, vertelde zij me trots hoe ze in aanzien steeg bij haar vriendinnen die nog in Turkije woonden, door hier te studeren mét een hoofddoek. In het land waar haar ouders geboren zijn, mag dat namelijk niet, vertelde zij. Ze gaf gymles in een strakke rok tot op de grond en kon daarom geen gymvaardigheden demonstreren.

Mij werd in 1999 door de directie gezegd: ,,Beoordeel haar maar wat milder, want we moeten blij zijn dat er iemand uit hun midden het onderwijs in wil.''

Onlangs ben ik, wegens langdurig ziekteverzuim, na 25 dienstjaren ontslagen. Bij een van de laatste gesprekken op de afdeling Onderwijs van de gemeente vertelden de ambtenaren mij dat ze zulke berichten over verloedering en fanatisme nog nooit hadden gehoord. Ze keken mij vanachter hun veilige bureau meewarig aan. Een keuringsarts vond mij te oud om nog les te kunnen geven aan jonge, moderne, assertieve kinderen en een andere keuringsarts proefde een racistische ondertoon.

Ik weet dat mijn ergernis niets te maken heeft met rassen, kleuren of volkeren, want ik heb jarenlang met plezier gewerkt met allochtonen van Chinese, Kaapverdiaanse of Hindoestaanse afkomst. Ik kom er langzamerhand achter dat het te maken heeft met een geloofsovertuiging die niet bij mij past, die onverdraagzaam is en die iedereen die daar niet bij wil horen, bestempelt tot vijand van de islam. Ik weet ook dat ik door mijn doorgeslagen tolerantie medeverantwoordelijk ben voor dat onaangepaste, haatdragende gedrag. Uit angst heb ik er nooit effectief tegen kunnen optreden, omdat ik in mijn jeugd de verhalen heb gehoord over de bezettingstijd, discriminatie en vervolging, en daarom dus nooit van discriminatie beschuldigd wilde worden. Ik heb het antiwesterse gedrag laten woekeren en spuide mijn gal op school tegen enkele collega's en in huiselijke kring, waar ik weinig begrip ondervond. Sinds 11 september 2001 mocht mijn onvrede meer benoemd worden, maar ik deed het alleen mondeling in beperkte kring en vond nog steeds onbegrip.

Nu, na de moord op Theo van Gogh door een godsdienstfanaat, word ik wakker. Ik herken die kwaadaardigheid en zie het dagelijks om me heen, op straat en op tv. Ik heb er geen oplossing voor.

Ik zie mezelf niet meer als onheilsprofeet, maar als realist.

Een angstige, dat wel.

Hans Lukkien is oud-onderwijzer.