Bekentenis

`In den beginne' is `in het begin' geworden in de nieuwe bijbelvertaling. En zo kregen wel meer dierbare archaïsmen uit de Statenvertaling een nieuw jasje.

In de nasleep van de presentatie van de Nieuwe Bijbelvertaling zijn er overal in het land lezingen in boekhandels, waarin vertalers en bij het project betrokken schrijvers iets vertellen over dit gigantische vertaalavontuur. Meer dan tien jaar is er aan gewerkt; de kranten hebben er de afgelopen weken vol van gestaan. Omdat ik het boek Exodus en een deel van de Psalmen als `meelezer' op hun literaire merites heb mogen beoordelen, houd ik ook af en toe zo'n praatje over mijn leeservaringen.

Dat valt nog niet mee. Ik ben geen bijbelkenner en weet niets van de Hebreeuwse, Aramese en Griekse bronteksten, waarmee het vertaalteam zich al die jaren heeft omgeven. De enige grondtekst die ik erbij gehad heb, is de loodzware en diepzwarte bijbel uit 1942, die mijn ouders bij hun huwelijk in '48 kregen.

Het boek der boeken lag bij ons vergeten in een kast, want mijn ouders hadden het niet erg op het geloof, totdat ik hem rond mijn veertiende meenam naar mijn kamer. Ik las rijp en groen door mekaar in die tijd, keek niet op een paar bladzijden, en was stevig in de ban geraakt van Dostojevski; zoals bekend een gelovig mens. Als de schrijver van De Idioot en De gebroeders Karamazov in God geloofde, dan stond de Waarheid – waarnaar veertienjarigen altijd driftig op zoek zijn – misschien wel in die bijbel!

De foliant heeft jarenlang naast mijn bed gelegen, is meeverhuisd naar verschillende studentenkamers in Amsterdam en heeft nog twintig jaar dienst gedaan als verhoginkje onder diverse computermonitors.

Al met al ben ik behoorlijk verknocht geraakt aan dat oude, scheefgezakte boek. Dat realiseer ik me pas goed nu er een nieuwe vertaling is. En niet zozeer aan het boek zelf, alswel aan de taal van de bijbel, waarmee ieder enigszins geletterd mens van mijn leeftijd of ouder, godsdienstig of niet, nu eenmaal is opgegroeid. Ons cultureel erfgoed, precies.

Bang dat de toehoorders moeilijke vragen zullen stellen als `Zijn de deuterocanonieke boeken ouder of jonger dan het Nieuwe Testament?', `Wat is de Septuaginta?' of `Wat staat er in de Dode Zeerollen?' – blijf ik tijdens zo'n praatje in een boekhandel op het min of meer veilige terrein van de Nederlandse taal. Al moeilijk genoeg.

Bij een boekhandel in het midden van het land kom ik te spreken over dierbare archaïsmen die nu een nieuw jasje aangekregen hebben. In den beginne is `in het begin' geworden. Het kindje ligt niet meer in de kribbe, maar in de voederbak, want voor Jozef en Maria was geen plaats in het nachtverblijf; herberg is te Anton Pieckerig bevonden. Men lijdt niet meer aan melaatsheid, maar aan huidvraat – een sterke vondst, trouwens.

Met een zekere wellust weid ik uit over het oude woord `bekennen' uit de Statenvertaling; bekennen in de zin van de geslachtsdaad volvoeren. `En Abraham bekende Hagar en hij gewon Ismael.' Uiteraard kun je daarmee niet meer aankomen in modern Nederlands (het woord was overigens in eerdere vertalingen al vervangen), dat snap ik wel, maar ik mis het zo.

Bekennen is weliswaar verheven en plechtig, maar het is ook een poëtisch, innig woord dat zo mooi de betekenis `je laten kennen aan een ander, samensmelten met een ander' weergeeft; mooier dan het equivalent `ingaan tot', dat de Statenvertaling eveneens bezigt en dat natuurlijk ook gesneuveld is. Waar moeten we het nu mee stellen? Met het duffe `gemeenschap hebben met', waar niemand warm of koud van wordt. Een onvermijdelijk, maar pijnlijk verlies.

Na afloop blijven er nog wat mensen bij mijn tafeltje staan napraten.

Ik vind het wel interessant, die nieuwe bijbel, zegt een mevrouw, maar hadden ze hem niet wat dunner kunnen maken? Hij past niet in mijn tas.

En een keurig in het pak stekende meneer vertelt me een verhaal over het bijbellezen vroeger bij hem thuis. Hoe zijn vader met de volle vuist tussen de borden sloeg, als je zat weg te dromen.

,,Maar ik moet u bekennen...'', zegt hij op een gegeven moment.

Ik bijt onzichtbaar op de binnenkant van mijn wang en tot hem dringt de dubbele betekenis van wat hij zegt op hetzelfde ogenblik door, dat zie je. Een ontroerend blosje verspreidt zich over zijn gezicht. ,,...dat ik er al minstens dertig jaar geen blik meer in geworpen heb'', sluit hij af, zo unverfroren mogelijk.

Ik geniet. Dit is geweldig. De wraak van een onbruikbaar verklaard bijbelwoord.