Verbod op marteling kent geen uitzondering

Marteling is volgens sommigen acceptabel als daarmee levens worden gered. Maar het martelverbod van de VN is onvoorwaardelijk.

Mag de politie de verdachte in een ontvoeringszaak onder fysieke druk zetten om te zeggen waar hij zijn slachtoffer heeft verstopt? Deze vraag rees in Duitsland bij de geruchtmakende kidnap van het 11-jarig zoontje van een prominente bankier in Frankfurt, vorig jaar. De verdachte werd ingerekend toen hij het losgeld ophaalde, maar weigerde te zeggen waar het kind was. De politiechef, die voor het leven van het kind vreesde, liet de verdachte dreigen met ,,intens geweld''. Voordat het daadwerkelijk tot geweld kwam, bekende de man dat het kind dood was.

De inmiddels voormalige plaatsvervangende hoofdcommissaris Wolfgang Daschner moet zich nu voor de rechter verantwoorden voor de wijze waarop hij de verdachte onder druk heeft laten zetten. Het woord foltering is gevallen. Dat is in Duitsland nog steeds een beladen term gezien de associatie met praktijken in de Tweede Wereldoorlog. De Duitse grondwet garandeert de menselijke waardigheid en lichamelijke integriteit. Het land is gebonden aan een VN-verdrag dat marteling of wrede of onmenselijke behandeling categorisch in de ban doet.

Daschner vindt deze zware term overdreven in verband met zijn initiatief in de ontvoeringszaak. Toch voldoet dit aan belangrijke formele kenmerken van het internationale delict marteling. Kern daarvan is dat het gaat om optreden van overheidsfunctionarissen, met name om een burger informatie af te dwingen. Hieronder valt niet alleen daadwerkelijke geweldpleging maar ook bedreiging daarmee. Het moet wel gaan om een ernstige vorm van geweld (dat overigens ook psychisch kan zijn) en dat was nu net de term die Daschner naar eigen zeggen gebruikte.

Het proces in Frankfurt draait vooral om de vraag of martelen onder bijzondere omstandigheden niet toch valt te billijken. Het is voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog dat deze vraag in Duitsland wordt gesteld, noteert Amnesty International. Ook buiten Duitsland is deze rechtsvraag actueel. In de Verenigde Staten hebben juristen van de overheid na de aanslagen van 11 september 2001 in memoranda over ondervragingstechnieken geprobeerd zich zoveel mogelijk uit te draaien onder het internationale martelverbod.

Voor een deel gebeurde dit met vergezochte argumenten, zoals een uitzondering voor martelen ,,te goeder trouw'' waarbij zelfs niet eens de voorwaarde geldt dat dit ,,redelijk'' is. Het martelverbod is nu net een voorbeeld van een objectieve maatstaf, die geen plaats laat voor een subjectieve afweging. Minder makkelijk is dat gesteld met het geval van ,,de tikkende tijdbom''. Stel, men heeft een terrorist te pakken van wie bekend is dat hij een tijdbom heeft geplaatst op een onbekende plaats die elk moment kan afgaan. Mag men dan geweld gebruiken om die plaats te weten te komen en wellicht onschuldige slachtoffers te redden?

Vijf jaar geleden boog het Israëlische hooggerechtshof zich al over deze vraag in een testcase over ondervragingsmethoden van de veiligheidsdienst die was aangespannen door het Comité tegen marteling in Israël. Het hof wilde een beroep op noodtoestand in zo'n geval niet uitsluiten, maar zei er eerlijk bij dat dit ,,omstreden'' is. Noodtoestand heeft hier de speciale betekenis van een prangend conflict tussen erkende rechtsplichten waarvoor de betrokkene wordt gesteld. Deze vorm van overmacht is in het strafrecht van veel landen erkend. De moeilijkheid met marteling is dat volgens het VN-verdrag de uitslag van een dergelijke botsing van rechtsplichten op voorhand vaststaat. Het verdrag zegt dat ,,géén buitengewone omstandigheden van welke aard dan ook mogen worden ingeroepen ter rechtvaardiging van marteling''.

uit den boze