Parijs en Versailles

Moeten wij dan ook maar oorlog gaan voeren? Met deze vraag werd president James Wolfensohn van de Wereldbank naar eigen zeggen geconfronteerd door ontwikkelingslanden die zuchten onder een berg van schulden. Aanleiding was de discussie over de schuldverlichting voor Irak, die afgelopen weekeinde een doorbraak beleefde. De westerse crediteurenlanden, verenigd in de zogenoemde Club van Parijs, kwamen overeen de schulden die Irak aan hen heeft, samen ruim 39 miljard dollar, voor tachtig procent kwijt te schelden.

Irak moet een kans krijgen op eigen benen te staan. Dat kan moeilijk met de schuldenlast die het heeft overgehouden aan het regime van Saddam Hussein. De totale Iraakse schuld, voor tweederde aan de buurlanden, wordt geschat op 120 miljard dollar, nog afgezien van herstelbetalingen die Koeweit en Iran eisen voor oorlogsschade.

Van het verdrag van Versailles is na de Eerste Wereldoorlog geleerd dat een land niet wraakzuchtig moet worden opgezadeld met onbetaalbare lasten van het verleden, wil het ooit weer een stabiel lid van de wereldgemeenschap worden. Tegelijkertijd is Irak potentieel schatrijk. Het beschikt over de grootste bewezen oliereserves ter wereld, na Saoedi-Arabië.

Met de schuldreductie van 80 procent is een brug geslagen tussen de 95 procent die de Verenigde Staten voorstonden, en de 50 procent die Frankrijk en Duitsland aanboden. De aanvankelijke Europese weerstand tegen de vrijwel volledige kwijtschelding van de Iraakse schulden die de VS wilden kan worden gezien als een logisch uitvloeisel van de verdeeldheid tussen Europa en de VS over de Amerikaans-Britse aanval op Irak zelf. Het nu gesloten compromis is in dat geval een eerste teken van détente over de gehele kwestie Irak. Met een tweede termijn voor president Bush moeten Europa en de VS per slot van rekening nog vier jaar onder dezelfde omstandigheden met elkaar verder.

Zo eenvoudig ligt het niet. Schuldsanering voor de allerarmste landen staat nu al meer dan vijf jaar op de agenda van het internationale overleg, en er is nauwelijks vooruitgang. Een recent Amerikaans-Brits voorstel voor volledige kwijtschelding kan niet rekenen op continentaal-Europese steun. De sanering van de allerarmste landen zou volgens de Europese landen via omwegen ten koste gaan van het eigen vermogen van de Wereldbank. Bovendien zou het de Amerikanen enkel te doen zijn om het scheppen van een precedent voor een soortgelijke behandeling van Irak.

De behandeling van schulden verdient een betere discussie. Over de vraag bijvoorbeeld tot op welke hoogte een bevolking verantwoordelijk is voor het wangedrag van haar leiders. Met misdragingen van Afrikaanse (of Iraakse) dictators lijkt dat een uitgemaakte zaak. Maar de lijn is dun. In hoeverre moet de Argentijnse burger nu boeten voor het ontploffen van het financiële stelsel? Had Zweden tijdens de zware financiële crisis van begin jaren negentig dispensatie kunnen vragen voor zijn schulden omdat opeenvolgende sociaal-democratische regeringen een onbetaalbare welvaartsstaat hadden opgebouwd?

Schuldsanering lijkt barmhartig, maar kan leiden tot roekeloos leengedrag in de toekomst, of een terughoudende opstelling van crediteuren die bang zijn ook nieuwe leningen nooit meer terug te zien. Een grotere terughoudendheid ten opzichte van Irak was op zijn plaats geweest.