`Ik had je toch gewaarschuwd'

,,Zie je wel! Ik heb het je toch gezegd: Roma kun je nooit vertrouwen.'' Het is spijtig genoeg weer borrelpraat in Boedapest, waar je dezer dagen weinig tegen in kunt brengen. Reden voor de anti-Roma hatespeech is het nieuws over een massale fraude met oorlogschadeclaims, waarvan een groep Hongaarse Roma wordt verdacht.

Wie tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oostenrijk tewerk werd gesteld kan zich wenden tot het fonds voor Verzoening, Vrede en Samenwerking. Het fonds werd in 1997 opgericht om slachtoffers van de naziterreur in Oostenrijk financieel te compenseren. Daarvan maakten onder anderen tweeduizend joodse Hongaren gebruik. Hun claims werden de laatste jaren succesvol afgehandeld. Maar toen plots, in 2002, maar liefst twaalfduizend Roma uit Hongarije hetzelfde deden, ging bij het fondsbestuur het sein op rood.

Twaalfduizend? Volgens historici was het aantal Roma dat in Oostenrijk tijdens de oorlog tewerk werd gesteld hooguit 1.500. En wie is daarvan nog in leven? Niet veel, wordt geschat, op grond van hun lage levensverwachting.

Er leek, kortom, fraude in het spel. Dat dat inderdaad het geval was kwam aan het licht nadat was gebleken dat op honderden aanvraagformulieren voor compensatie één en dezelfde typefout voorkwam. Extra pijnlijk is het feit dat leiders van lokale Roma Zelfbestuurorganen worden verdacht van medeplichtigheid. Was het Zelfbestuur niet juist geïnstalleerd om de Roma het vertrouwen te geven dat hun niet wordt gegund in een samenleving die zwanger is van vooroordelen?

Het triomfantelijke gezicht van András, mijn automonteur, zag ik al voor me. András heeft niet veel op met goed bedoelde sociale integratieprojecten, maar hij is daarentegen wél een enorme bemoeial. Dat levert vaak komische situaties op, zoals de scheldkannonades die ik kreeg te verduren in de dagen dat ik nog rookte. Door András ben ik gestopt. Ik móest wel, want ik durfde op een dag bijna niet meer naar hem toe, uit angst voor zijn donderpreken. Maar omdat ik moeilijk afscheid kan nemen van mijn oldtimer, waaraan geregeld iets mankeert, is András een belangrijker factor in mijn leven dan nicotine.

De bemoeizucht van András levert ook minder komische situaties op. Op een middag kom ik aangereden met een geopende achterklep. Die kon niet meer dicht, sinds een paar schoffies met een koevoet de toegang tot de kofferbak hadden geforceerd. In die dagen had ik me laten overhalen mee te doen aan een integratieproject in een wijk waar veel Roma wonen. ,,Begin er niet aan, dat wordt een teleurstelling'', waarschuwenden Hongaarse kennissen, die zelf hun pogingen om iets in de Roma-gemeenschap gedaan te krijgen, in het verleden hadden zien stranden.

Maar ik had me van de domme gehouden, nog ziek van de hollanditis: ,,Dat gaan wíj dus even hélemaal anders doen.'' Dat gevoel neem je mee naar het buitenland.

Wij gingen het dus anders doen – en helemaal verkeerd. Signalen om er tijdig mee te stoppen waren er te over. Zoals het verhaal van de Hongaarse sociaal werker Géza, die al jaren bij een Roma-familie over de vloer kwam om, zo hoopte hij, nader tot elkaar te komen. Het resultaat? Op een ochtend merkte hij dat in zijn appartement in Pest al zijn bestek was verdwenen. En de televisie miste hij ook.

Een week later was Géza uitgenodigd om het kerstdiner te komen nuttigen bij zijn `project'. Géza at die avond bij de Roma-familie met zijn eigen bestek en keek er naar een mooie kerstfilm op zijn eigen tv.

,,Wat kun je doen?'', zei Géza later. Hij had zijn lippen stijf op elkaar gehouden en de kerstavond netjes uitgezeten.

Zo ook liep mijn project dood. De Roma-vrienden die ik na tal van bezoeken aan de probleemwijk in het negende district dacht te hebben gemaakt, bleken achter mijn rug om dezelfde jongens te zijn die mijn auto hadden opengebroken. Op klaarlichte dag.

,,Dat moet het werk zijn van zigeuners'', baste monteur András dus, toen ik met rammelende kofferbak zijn oprit opreed. András voelde geen enkele aandrang om zijn vermoedens te verifiëren.

Dat maakt de fraudezaak met de schadeclaims voor dwangarbeid tijdens de Tweede Wereldoorlog tot zo'n pijnlijke. Het zet alle vooroordelen nog steviger in de steigers.

,,Zie je wel! Ik heb het je toch gezegd'', klinkt het weer in menig Boedapester café.