Godslastering

Vorige week heb ik op radio en televisie diverse diepgelovige christenen horen vertellen hoe erg het hen kwetst als zij iemand horen vloeken. In hun woorden: het snijdt hun door de ziel, het krenkt hen tot in het diepst van hun vezels als de God die zij zo intens liefhebben wordt belasterd.

Ik moet u zeggen: ik had even met hen te doen. Ik zeg dit zonder ironie, het lijkt mij niet makkelijk als een vloek je werkelijk zo diep raakt. Er is immers geen ontkomen aan. Van alle kanten horen we dat Nederland de laatste jaren zo vreselijk is verruwd, maar wat het taalgebruik betreft is dat al sinds de jaren zestig aan de gang.

Wat ik miste in de vraaggesprekken die ik hoorde, waren voorbeelden. Wélke vloeken bezorgen diepgelovige christenen nu rillingen op de rug? Dat journalisten hier niet meteen naar vragen, snap ik natuurlijk wel. Je laat dat uit beleefdheid, om geen zout in de wonde te wrijven, en om te voorkomen dat het lijkt alsof je je verkneukelt over deze overgevoeligheid, die menigeen toch wereldvreemd zal aandoen.

Toch denk ik dat het wel degelijk nuttig is om te weten welke vloeken sommige christenen aanstootgevend vinden. Voor dit soort informatie kun je goed terecht bij de Bond tegen het vloeken, een club die in 1917 is opgericht en die tegenwoordig 33.000 donateurs telt, merendeels van protestantsen huize. Er zijn, zegt een woordvoerder van deze Bond, christenen die zich al vreselijk storen aan jee en jeetje, goh en gossie, en aan jeminee. De Bond wordt weleens gebeld met de vraag of dergelijke woorden nou wel of niet kunnen – in allerlei opzichten een opmerkelijke vraag (je kunt het jezelf ook onnodig moeilijk maken). Hun advies: bij twijfel niet gebruiken. De Bond is dus niet per se tegen jeejeetjegohgossiejeminee, en ze zullen er zelf niet tegen ten strijde trekken, maar ze raden het gebruik ervan wel af.

Wat de mensen van de Bond in mijn ogen een sympathieke club maakt, is dat zij er in hun publicaties niet voor terugschrikken om man en paard te noemen. Zij doen dat natuurlijk met grote tegenzin, maar hier en daar lees je bij hen flinke vloeken – inclusief godverdomme –, om te laten zien waar zij tégen zijn. In sommige Bondsuitgaven staan zelfs opsommingen van scheldwoorden, vloeken en verwensingen. Zo lezen wij in de Vloekmonitor 2003 dat de Bond ojee, tjeetje, goh en getsie wel degelijk beschouwt als ,,grof taalgebruik''.

Dat noemen van voorbeelden is in de oudere vloekliteratuur wel anders. Aan het begin van de 20ste eeuw zijn er allerlei pamfletten en publicaties verschenen waarin werd gepleit voor opname van een artikel tegen godslastering in het Wetboek van Strafrecht, het artikel dat nu onder vuur ligt. Zowel vanuit taalkundig als vanuit sociologisch standpunt zijn dit zeer interessante publicaties. Zo maakte het `Centraal comité van antirevolutionaire kiesvereenigingen' in 1924, in een advies getiteld Strafbepalingen tegen godslastering en vloeken, een onderscheid tussen vier soorten `ontheiliging van den naam Gods'. Men onderscheidde 1. het lichtvaardig gebruik van Gods naam zonder meer; 2. het onheilig vloeken; 3. het onheilig zweren; en 4. godslastering en blasfemie. Alleen bij de omschrijving van die laatste categorie (die weer in vier subgroepen is verdeeld) vond ik een concreet voorbeeld. Het was de `schrikkelijkste' zonde om God `ongerechtigheid' aan te wrijven, dan wel om Christus `een vraat en zuiper' te noemen.

Het g-woord wordt in deze publicatie net zo angstvallig vermeden als het h-woord doorgaans in hedendaags politiek Den Haag. Het comité heeft het in dit verband over `den nationalen vloek'.

Zeer interessant om te zien is hoezeer de katholieke en protestantse publicaties over `onnette woorden' op den duur uiteenliepen. Daarover volgende week meer.

Reacties naar sanders@nrc.nl.