Ramkoers van EU-hof wekt nationale wrevel

Het Europese Hof van Justitie legt regelmatig lidstaten over de knie wegens schending van het EU-verdrag. Maar wie is dan aansprakelijk? Een al te harde lijn kan het nationale verzet tegen Europa aanwakkeren.

Het Constitutionele Hof van Duitsland baarde onlangs opzien door te stellen dat het zélf de laatste arbiter is wanneer het gaat om de verenigbaarheid van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg met de Duitse grondwet. Het Europese recht is hoog, maar niet het laatste woord.

Het Duitse hof claimt dezelfde ruimte voor de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. Er is echter een verschil, noteren Tom Barkhuysen en Henk Griffioen van de Universiteit Leiden in het Nederlands Juristenblad van vorige week: het EU-hof laat het er minder makkelijk bij zitten dan Straatsburg. Dit blijkt uit een `drieluik van uitspraken' door het EU-hof van eind vorig en begin dit jaar. De belangrijkste is de zaak-Köbler tegen Oostenrijk. Köbler, een hoogleraar, was een anciënniteitstoelage ontzegd. Dat bleek in strijd met Europees recht. Het Luxemburgse hof stelde Oostenrijk direct aansprakelijk voor de uitspraak van de hoogste rechter van dat land, die de ontzegging had bevestigd.

De tweede zaak had betrekking op Italië, dat werd veroordeeld wegens (stelselmatige) schending van het EU-verdrag door de nationale rechter.

De derde zaak betrof Kühne & Heitz tegen Nederland. Daarin werd het Productschap Pluimvee en Eieren verplicht terug te komen op het besluit tot terugvordering van te veel betaalde exportsteun voor kippendijen. Ook al had de Nederlandse rechter deze terugvordering goedgekeurd. Het Europese hof had weinig boodschap aan het argument dat er toch eens een streep moet worden gezet onder een rechtsgeschil.

Met name de zaak-Köbler vormt een logisch sluitstuk op eerdere uitspraken van het EU-hof over de aansprakelijkheid van de lidstaten voor overtreding van het gemeenschapsrecht door de wetgever (1991) of het bestuur (1996). Tussen rechters heeft deze logica echter een keerzijde. Peter Wattèl, hoogleraar Europees belastingrecht en advocaat-generaal bij de Hoge Raad, vraagt spottend wat het EU-hof eigenlijk denkt te doen aan zíjn eigen aansprakelijkheid (of beter: die van de EU) voor eventuele juridische misslagen.

Wattèl voorspelt dat het nog een hele toer wordt voor nationale rechters om de claims tegen hun eigen collega's te behandelen. Kan de hoogste rechter dat zelf doen, of dient er een ander te worden aangewezen? En wordt hij op zijn beurt opnieuw aansprakelijk? De aangewezen rechter zal al gauw de veilige weg kiezen en nadere vragen voorleggen aan het EU-hof. Zo kan een zaak wel erg lang duren en lopen de Europese achterstanden alleen maar op. Bovendien gaan de schendingen van het gemeenschapsrecht waarvoor staten aansprakelijk kunnen worden gehouden wel heel ver. Kippendijen, of de lichtsterkte van fietslampen. Moet je daar werkelijk nationale overheidsbesluiten en rechterlijke uitspraken voor openbreken?

Het EU-recht gaat uit van samenwerking tussen het hof in Luxemburg en de nationale rechters. Dat lijkt te pleiten tegen de aanvaringskoers die zich nu aftekent, maar het EU-hof wil kennelijk zijn suprematie voor eens en altijd vestigen, denkt Barkhuysen.

Tien jaar geleden spartelden de lidstaten nog tegen. Maar nu is er een nieuwe trend, aldus Marie-Pierre F. Granger van de universiteit van Essex in een recente publicatie: steeds meer regeringen zoeken Luxemburg juist op. Zij maken gebruik van hun recht zich te mengen in lopende procedures tegen andere lidstaten om hun eigen belang ,,preventief'' bij het hof te bepleiten.

Toch zegt deze volgzaamheid niet alles. Met zijn harde lijn voor staatsaansprakelijkheid schept het EU-hof volgens Barkhuysen en Griffioen een nieuw probleem. Tegenover het besluit over kippendijen dat moet worden opengebroken, staan allerlei andere nationale besluiten over wel zo belangrijke aangelegenheden die buiten de Europese regels vallen. Ruimtelijke ordening bijvoorbeeld. Daar moeten besluiten gewoon in stand blijven, al valt er achteraf nog zo veel op af te dingen. Deze ongelijke behandeling is moeilijk te verkopen. Op den duur kan die de voedingsbodem worden voor nieuw nationaal verzet tegen `Europa'.