Op zoek naar Pablo

Twee jaar geleden stond de foto van Pablo, een mager joch met hongerogen, in vele kranten over de hele wereld. Pablo werd het symbool van de zware economische crisis die Argentinië toen teisterde. Hoe is het nu met Pablo? En hoe is met Argentinië? `Het gaat gelukkig een stuk beter.'

Knoken verpakt in een veel te strakke huid. De stokbroodbenen lijken enkel nog door een luier vastgeklonken aan zijn lichaampje. De vierjarige Pablo Gómez kijkt naar zijn ledematen met een blik vol berusting. Hij weegt nog maar zeven kilo, ligt op de intensive care afdeling van het kinderziekenhuis en dreigt – net als een paar dagen eerder gebeurde met zijn zesjarig zusje María Rosa – te sterven van de honger.

Zo stond hij in de krant. Een foto groter dan het ventje. Vandaag precies twee jaar geleden – 20 november 2002 – meldde NRC Handelsblad op de voorpagina dat inmiddels tientallen kinderen wegens chronische ondervoeding waren overleden. Het was groot nieuws in veel media. Want het drama speelde zich niet af in een vertrouwde, donkere hoek van arm Afrika maar in de noordelijke provincie Tucumán van het relatief welvarende Argentinië. In de groente-, fruit- en koeienschuur van Zuid-Amerika was de economische crisis inmiddels zo wijdverbreid dat mensen crepeerden.

Argentinië was in die dagen vaker in het nieuws als rampgebied. Demonstranten plunderden supermarkten. Banken werden bestormd. De politie schoot betogers dood. En de onophoudelijk op potten en pannen trommelende Argentijnen joegen hun politici letterlijk het land uit: Argentinië kende in die periode vijf presidenten in tien dagen. Het uitbreken van een burgeroorlog leek slechts een kwestie van tijd.

En toen werd het redelijk stil. Inmiddels heeft Argentinië al weer anderhalf jaar dezelfde president: Nestor Kirchner. Het land exporteert soja en biefstukken als nooit tevoren en verheugt zich op de zomer. Argentinië, waar buitenlanders door de gewelddadige onrusten twee jaar geleden halsoverkop vertrokken, rekent nu op de komst van recordaantallen toeristen. Twee weken geleden kwam in de haven van Buenos Aires het eerste cruiseschip van het seizoen aan: de onder Hollandse vlag varende Amsterdam, met 1.233 opvarenden. Deze zomer zal een nooit eerder geteld aantal van 55 van die buitenlandse schepen de haven aandoen.

In een onlangs gepubliceerde rondvraag onder ondernemers zegt 57 procent te verwachten dat de economische groei – afgelopen jaar ruim 8 procent – ook in 2005 fors zal zijn. En 93 procent van de zakenmannen kondigt aan in eigen land te investeren. Betekenen dit soort cijfers dat de crisis ook voorbij is? Hoe gaat het twee jaar later eigenlijk met de uitgehongerde kinderen?

De afstand van hoofdstad Buenos Aires naar de ruim 1.200 kilometer noordelijk gelegen provinciehoofdstad San Miguel de Tucumán is per auto in twee dagen te overbruggen. De reis voert dwars door het land dat 82 keer zo groot is als Nederland. De foto van Pablo Gómez, zo meldt het bijschrift, is gemaakt in het hoofdstedelijke kinderziekenhuis van de provincie Tucumán. Met die informatie en de originele Hollandse voorpagina met de dramatische foto begint de reis. Op zoek naar Pablo.

Chinezen

Het eerste stukje voert over de Ruta 197 even ten noorden van Buenos Aires. Tegenover een hoog omheinde buitenmuur van een van de ongeveer zeshonderd streng bewaakte villawijken in deze provincie is hier in het weekeinde een auto spectaculair verongelukt. Het rode wrak ligt al twee dagen op zijn kop langs de kant van de weg en blijkt de afgelopen nacht goeddeels gestript. Deze ochtend heeft een bejaarde man zijn paard en wagen naast het wrak gezet. Hij draagt een shirtje van het nationale voetbalelftal en staat met een bijl op het metalen karkas in te hakken. Het ijzer dat zo los komt legt hij in zijn houten kar.

Op de Argentijnse radio wordt zoals altijd 's ochtends vooral eindeloos gekletst over de actualiteit. Het gaat over de verrichtingen van de trots van de Argentijnse goegemeente Las Leonas. De Argentijnse hockeydames – leeuwinnen – moeten op een speciaal aangelegd kunstgrasveld in Rosarío een zeslandentoernooi winnen, maar het vlot nog niet zo erg.

Het onderwerp dat dezer dagen de meeste aandacht opeist gaat over de Chinezen. Komen ze of komen ze niet en met hoeveel geld? En moeten we Chinees gaan leren spreken? De regering heeft namelijk laten lekken dat de Chinezen maar liefst 20 miljard dollar gaan investeren in de infrastructuur van Argentinië. Heel belangrijk in een land dat door buitenlandse geldschieters goeddeels wordt genegeerd omdat het al drie jaar geen schulden meer afbetaalt. In ruil willen de Chinezen olie, graan, soja en vlees.

Jammer alleen dat de Chinezen een dag na het goede nieuws laten weten geenszins van plan te zijn zulke grote bedragen in Argentinië te investeren. En nu maken de Argentijnen onderling grote ruzie. De president is gek dat hij fout nieuws liet lekken óf de pers is onverantwoordelijk bezig, zijn zo'n beetje de uiterste standpunten.

De Panamericana-snelweg ten noorden van Buenos Aires voert langs een lang lint van bedrijfskantoren, wiphotels, winkelcentra en golfbanen. Na een klein uurtje verandert de omgeving in één grote eentonige weide. Niets dan velden met koeien en gewassen zie je, slechts sporadisch onderbroken door een stadje. Langs wat inmiddels een tweebaansweg is geworden, staan borden die aangeven welke firma op deze plek de genetisch gemoduleerde zaadjes heeft geleverd en waar je het beste tractors kunt kopen. Soms slingert er opeens een paard gemeen onhandig over de weg. Het is zaak niet in slaap te sukkelen.

,,Puf, wat is het warm'', zucht een ongeveer 55-jarige onderwijzeres in het plaatsje Venado Tuerto, 400 kilometer ten westen van Buenos Aires. De vrouw is blij eindelijk een lift te hebben gekregen. Ze doet haar hoofddoekje af en veegt het stof van haar bril waarvan de pootjes met plakband aan het montuur zijn bevestigd. Wat ik verder ook nog te horen ga krijgen, ik dien goed te begrijpen dat het in dit land nog steeds alleen maar slechter gaat. Zij staat iedere ochtend om 5 uur op, lift naar school en rond het middaguur lift ze weer 15 kilometer naar het dorpje Maggioli waar ze 's middags voor de klas staat. En dat alles al twintig jaar lang voor een maandsalaris van zo'n 170 euro.

,,De honger van Argentinië is niet alleen een probleem in het noorden van Argentinië. Ook in mijn dorpje in de provincie Buenos Aires is sinds een paar jaar een gaarkeuken waar steeds meer mensen naartoe komen'', zegt de onderwijzeres. En, hoe noodzakelijk ook, het is dit soort hulp die volgens haar van de Argentijnen slapjanussen maakt.

Sinds de crisis in 2002 losbarstte, ontvangen zo'n twee miljoen Argentijnen een maandelijkse uitkering van zo'n 45 euro. ,,Voor veel mensen is dat voldoende geld om te overleven. Er groeien in dit land mensen op die geen enkele prikkel meer hebben om te werken.''

Duivenvlees

Het landschap bestaat onderwijl onveranderlijk uit landbouwgrond. Het land is één groot vruchtbaar productiegebied en hier valt goed te zien dat Argentinië tien keer meer voedsel produceert dan de eigen 37 miljoen inwoners kunnen opeten. De nederzettingen zijn dorpen rondom één straat met showrooms vol landbouwvoertuigen.

Pas na de stad Córdoba verandert het decor. Er zijn meer heuvels, waarachter een enorme zoutvlakte. Op het land staan cactussen met oranje vruchten. Vogels zitten in grote groepen op de zonnige rijbaan en vliegen niet altijd tijdig op. Aan de ruitenwissers wappert duivenvlees.

,,Hoe verder je van Buenos Aires gaat, hoe groter de armoede'', zegt Carina Moreno (26). Ze studeert voor sociaal werkster in Berrotarán in de provincie Córdoba. Als ze in de auto de twee jaar oude krant bekijkt met de foto van Pablo Gómez, begint ze geluidloos te huilen. Dikke tranen ploffen op haar schoot. ,,We wisten niet dat zoiets mogelijk was in Argentinië.'' Het drama heeft haar zo geroerd dat ze sinds een jaar bezig is om met haar man een kindje uit Tucumán te adopteren. Door bureaucratische hobbels is dat nog niet gelukt.

,,De honger in dit land is puur een gevolg van mismanagement, corruptie en slechte politici. In de jaren negentig heeft president Menem de peso gekoppeld aan de dollar en ons wijsgemaakt dat we rijk waren. Nu zitten we met een schuld van 140 miljard dollar'', zegt Carina.

Het is een universele klacht. De koeienwachter, de snoepverpakster of de trucker in het wegrestaurant, ze zijn het allemaal over één ding eens. De doorsnee Argentijn is een reuze hulpvaardig en hartelijk mens. Maar de politici zijn gewetenloze zakkenvullers. Zij zijn weliswaar door de bevolking gekozen, maar dat is omdat stemmen verplicht is en omdat er in dit land in feite maar één partij is: de Peronistische Partij die traditioneel onderling de buit verdeelt.

Glorie

De provincie Tucumán is het kleinste departement van Argentinië en beslaat ongeveer de helft van het grondgebied van Nederland. In deze subtropische provincie wonen 1,3 miljoen mensen. Belangrijkste bron van inkomsten is de export van suiker en citroenen.

De hoofdstad San Miguel de Tucumán oogt op veel plekken versleten, en wijkt in dat opzicht niet af van andere steden in dit land. Argentinië is steenrijk aan vergane glorie. Het centrum van de stad van 600.000 inwoners noemen ze hier klein New York. Het is er gezellig, druk en er is zelfs een winkel met design tassen van het Argentijnse topmerk Prüne.

De echte misère is te zien in de buitenwijken die Claudia Vega me geduldig toont. Vega (46) is moeder van drie dochters. Omdat haar man wegens werk vanuit de hoofdstad hierheen moest verhuizen, woont ze sinds 12 jaar in een villawijk in Tucumán. Zo'n vijf jaar geleden kwam ze voor het eerst in aanraking met de grote armoede. Sindsdien maakt ze deel uit van de organisatie Red Solidario en doet ze vrijwilligerswerk in de sloppenwijken.

,,Toen ik voor het eerst de foto's zag van kinderen van wie de ogen uit de kassen rollen, werd ik wanhopig. Ik sliep niet meer'', zegt Vega. Tijdens een rondgang door een wijk vol golfplaten en houten huisjes wordt ze om de haverklap aangesproken door mensen die hulp vragen. Of ze kan helpen bij het maken van een afspraak in het ziekenhuis, en kan ze schoenen leveren? Maat 31?

De vrouwen die Claudia Vega aanklampen hebben één ding gemeen: ze zijn beroerd behuisd, vaak analfabeet en hebben stuk voor stuk te veel kinderen. Maria is 44 en heeft er tien. Ze is hoogzwanger van de elfde. Patricia is 28 en alleenstaande moeder van vijf kinderen. Ze verlaat net haar huisje in een gewaagd truitje. De vrouw heeft zoveel lippenstift aangebracht dat zelfs haar voortanden rood zijn. Patricia tippelt om geld te verdienen. De oudste dochter zal de rest van de dag en nacht op haar vier broertjes en zusjes passen. Zij is acht jaar oud.

De familie van Pablo Gómez is in deze wijk niet bekend. Er is trouwens geen enkel ondervoed kind te vinden. ,,Het gaat gelukkig een stuk beter'', zegt Vega. Maar de problemen blijven groot. Het zeven jaar oude zoontje van Patricia gaat niet naar school, omdat hij geen eigen schoenen heeft. Door de chronische armoede wordt de opvoeding van kinderen verwaarloosd. ,,Er zijn hier ouders die op het hoogtepunt van de crisis hun kinderen welbewust te weinig eten gaven, zodat ze door het tonen van hun uitgehongerde kroost in aanmerking kwamen voor noodhulp'', zegt Vega.

Armoede is in het noorden van Argentinië geen verschijnsel van de laatste jaren. Maar 2002 was wel een ongekend dieptepunt, vertelt de provinciale minister van Volksgezondheid Juan Luis Manzur in het regeringsgebouw in de hoofdstad. ,,Dit land werd twee jaar geleden getroffen door de ergste politieke, sociale en economische crisis uit zijn bestaan. Ik vergelijk het met een aardbeving en Tucumán was het epicentrum.''

Manzur, die deel uitmaakt van een geheel nieuwe regering die een jaar geleden aantrad, zegt dat het aanpakken van de crisis op het gebied van de volksgezondheid het belangrijkste doel is in Tucumán. ,,Het aantal voedselpakketten dat wordt uitgedeeld, is het afgelopen jaar verviervoudigd. Het budget voor de gezondheidszorg is verdubbeld'', zegt de minister. ,,Het probleem in dit land is niet dat er een gebrek is aan voedsel. Het moet alleen beter worden verdeeld. En dat is door de schrijnende ongelijkheid niet altijd gemakkelijk.'' Hij raadt de buitenlandse bezoeker aan goed rond te kijken. ,,U mag overal naar binnen.''

Kinderhospitaal

In het Hospital del Niño Jesús, waar Pablo Gómez twee jaar geleden in deerniswekkende toestand werd opgenomen, mag zo te zien iedereen overal naar binnen. De gangen en zalen van het ziekenhuis zitten om half acht 's ochtends al vol met mensen die in lange rijen op hun beurt wachten. Vooraan zit een meisje dat een slapend, ziek kind in haar armen houdt. Ze vertelt gisteravond om tien uur gekomen te zijn en heeft op dit houten bankje de nacht doorgebracht.

Het grootste deel van het ruim vijftig jaar oude hospitaal ziet er allerbelabberdst uit. Op de administratie staan middeleeuwse typemachines en in het halletje voor de kamer van de directeur dringen medici bij de enige telefoon waarmee interlokaal kan worden gebeld. Maar er wordt ook druk verbouwd. Twee nieuwe ziekenhuisvleugels zijn klaar. De ziekenzalen zijn er mooi. Er is zelfs airconditioning. En de verbouwing gaat door.

,,Het maandelijkse budget van het ziekenhuis is gestegen naar 60.000 euro, een verdubbeling in vergelijking met een jaar geleden'', zegt plaatsvervangend directeur Oscar Hilal. Het kinderziekenhuis heeft 220 ,,warme bedden'' zoals Hilal het noemt. Ze zijn altijd bezet. En inderdaad, twee jaar geleden waren de problemen door de economische crisis extra nijpend. Maar op de een of andere manier kwam er in 2002 ook een raar circus van gebeurtenissen op gang, vertelt Hilal, die al achttien jaar in dit kinderziekenhuis werkt.

,,Ondervoeding is hier al een probleem van de derde generatie. Maar twee jaar geleden liepen hier op een gegeven moment journalisten en fotografen door de gangen op zoek naar de allerergste gevallen. Die publiciteit leidde er toe dat ik bijvoorbeeld gebeld werd door andere collega's in de provincie die ook nog wel tien uitgehongerde kinderen wilden brengen om aandacht te krijgen.'' Het leidde soms tot onverantwoorde toestanden. Broodmagere kinderen werden gebracht naar een plek waar allerlei andere kinderen zaten met bronchitis, tbc of andere besmettelijke ziektes.

Hilal kent Pablo Gómez. Ook met deze jongen is volgens hem gesold. ,,Iedere dokter kan met één blik op de foto zien dat deze jongen neurologische problemen heeft. Zijn situatie werd vooral veroorzaakt door een genetische aandoening: hij heeft hersenverlamming.''

De analyse van Hilal wordt onderschreven door een van de meest gezaghebbende kinderartsen van Argentinië, de 74-jarige Elsa Moreno. Ze woont in Tucumán en werd toevallig een maand na de publicatie van de foto van Pablo door de Panamerikaanse gezondheidsorganisatie onderscheiden als `heldin van de gezondheid'. De onderscheiding hangt naast de voordeur in het appartement van Moreno.

Op het dieptepunt van de ramp in 2002 stierven in Tucumán in korte tijd 22 kinderen door acute hongersnood, vertelt Moreno. ,,Door de economische problemen, een uitzonderlijk slechte regering en door corruptie op alle niveaus waren er extra veel problemen. Maar het leed werd door de media en opportunistische doktoren uitvergroot.''

De misère begon volgens haar in Argentinië zo'n dertig jaar geleden. ,,Veel mensen zijn niet meer gewend te werken. Ze leven van giften of een uitkering. Ze zijn onverschillig en verwaarlozen hun kinderen. Het wordt per generatie erger. Er zijn hier de afgelopen dertig jaar geen scholen meer gebouwd. Dit gebied is zo vruchtbaar dat het heel makkelijk is een moestuintje te onderhouden, maar daar hebben mensen geen zin in.''

Het schort erg aan educatie, vertelt Moreno. Recent onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat een van de grootste problemen het eten van verkeerd voedsel is. De armen en ook de rijke kinderen krijgen te weinig vitaminen, calcium en ijzer binnen. ,,Drie procent van de kinderen is hier ondervoed. Tien procent lijdt aan obesitas, is te dik.''

Opvanghuis

Aan het eind van het gesprek vraagt ziekenhuisdirecteur Hilal aan zijn secretaresse of ze kan achterhalen waar Pablo Gómez nu is. De administratie is onvolledig, maar de vermoedelijke verblijfplaats is het opvangtehuis San Benito. Het is een gebouw aan de rand van de stad, naast de jeugdgevangenis. De directeur laat ons binnen, bekijkt zwijgend de krantenpagina en gebaart vervolgens naar zijn medewerkster Vilma Mamani ons rond te leiden.

Het tehuis is een totaal uitgewoond pand waar twintig zwaar gehandicapte kinderen wonen. Vilma toont de slaapzaal en de uiterst armoedige doucheruimte. De meeste bewoners lopen achter ons aan. Één jongen ligt apart op bed gebonden en luistert naar een radio die boven zijn hoofd hangt.

In de gemeenschappelijke, kale leefruimte zijn de gordijnen dicht. En daar zit hij. Pablo Gómez. Hij is in twee jaar tijd flink gegroeid, maar gezond is hij allerminst. Pablo zit in een rolstoel. Hij zwaait onophoudelijk spastisch met zijn armen, steekt af en toe zijn linkerhand in zijn mond en maakt rare geluiden. Pablo kan niet lopen.

Tegenover Pablo zit in een stoel met een tuigje zijn twee jaar jongere broertje Juan Facundo. En naast hem bevindt zich zijn moeder Christina. Op haar schoot houdt ze de vijf maanden oude baby Milagro. Christina bloost verlegen.

Vilma Mamani legt uit dat de twee jongens in het tehuis wonen. Twee andere broertjes van Pablo zitten in weer een ander inrichting. De zwakbegaafde ouders is de ouderlijke macht ontnomen. Alleen Milagro woont bij hen thuis. Het is nog onduidelijk of de baby gezond is. Christina vindt het prima als er een foto wordt gemaakt van Pablo, maar dat blijkt uiteindelijk niet toegestaan omdat hij onder toezicht is gesteld.

,,Pablo gaat inmiddels drie ochtenden per week naar school'', vertelt Vilma. Er wordt geprobeerd ervoor te zorgen dat de al jaren werkloze echtgenoot van Vilma aan de slag kan. Ze moeten ook een nieuw huis vinden, want de huidige sloppenwoning is eigenlijk onbewoonbaar. ,,We werken eraan om Christina samen met haar moeder uiteindelijk weer zelf haar kinderen te laten opvoeden.'' Hoe groot de kans is dat dit lukt, is volgens Vilma moeilijk in te schatten. ,,We blijven optimistisch.''