Hogescholen overzee

Hogescholen bieden hun opleidingen steeds vaker aan in verre oorden. De universiteiten willen dat ook, maar zien nog teveel obstakels.

VOOR EEN DIPLOMA van een Nederlandse hogeschool kan een Afrikaanse, Amerikaanse of Aziatische student tegenwoordig gewoon thuisblijven. Zo zit de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) behalve in Leeuwarden ook in Zuid-Afrika (Port Alfred) en in het emiraat Qatar aan de Arabische Golf. Inwoners van die landen kunnen op de `CHN University' hbo-studies doen als toerisme, hotelmanagement en vanaf volgend jaar ook international business. Het onderwijsprogramma van deze studies is vrijwel identiek aan dat in Leeuwarden. Studenten ontvangen na vier jaar een dubbeldiploma: een diploma dat in eigen land wordt erkend en het bachelordiploma van de CHN. Met een Thaise universiteit voert de hogeschool nu ook gesprekken over een eigen campus in Thailand. Op Aruba, de Nederlandse Antillen en in Suriname heeft de CHN deeltijdopleidingen op het gebied van hotel en toerisme.

verpleegkundigen Dat hogescholen in het buitenland opleidingen aanbieden, is nieuw. De CHN was drieëneenhalf jaar geleden de eerste, maar inmiddels is een handvol hogescholen gevolgd. De CHN wil met haar buitenlandse vestigingen een internationaal profiel neerzetten. De kleine hogeschool meent dat dit nodig is om overeind te blijven tussen giganten als de Hogeschool Inholland en Fontys Hogescholen. De laatste twee bewegen zich inmiddels ook op de internationale markt. Fontys Hogescholen startte twee jaar geleden een managementopleiding voor verpleegkundigen op Curaçao. Fontys deed dat op verzoek van een paar instellingen in de gezondheidszorg en een opleidingengroep op Curaçao. ``Er zit een stuk liefdewerk bij'', zegt Lesley van Bruggen van Fontys Hogescholen. Hogescholen willen nieuwe doelgroepen bereiken. Hogeschool Inholland nam drie jaar geleden zelf het initiatief tot drie opleidingen in Suriname: bedrijfseconomie & management, economie & recht en accountancy. De school speelt daarmee in op de Surinaamse behoefte aan een financieel en managementkader. Het onderwijsprogramma van de opleidingen in Suriname is hetzelfde als dat van de hogeschool in Nederland, al is de casuïstiek meer toegespitst op de lokale praktijk. Studenten krijgen na afloop een Inholland-diploma.

Hogeschool Larenstein zoekt in een heel ander werelddeel naar nieuwe doelgroepen. De hogeschool heeft in China samen met twee Chinese onderwijsinstellingen een paar agrarische opleidingen. De eerste twee jaar van het onderwijsprogramma kunnen Chinese studenten in eigen land volgen, de resterende twee jaar in Deventer of Velp. ``De Chinese studenten hebben in een dergelijke constructie lagere kosten dan in het geval het hele studieprogramma in Nederland zou worden gevolgd'', zegt beleidsmedewerker internationalisering Jan Hoekstra van Hogeschool Larenstein. Na afloop krijgen ze een Larenstein-diploma in richtingen als international agribusiness management of international land and water management.

De buitenlandse opleidingen zijn er ook voor de Nederlandse studenten en docenten. Zo wil de CHN met z'n dependances Nederlandse studenten de mogelijkheid bieden een grand tour langs verschillende werelddelen te maken. Inholland wil Nederlandse studenten, vooral die met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond, laten profiteren van de contacten en stageadressen overzee. En Nederlandse docenten vinden het doorgaans prachtig om zo ver van huis een gastcollege te geven.

Overzee zijn ze blij met het Nederlandse opleidingenaanbod, zeggen de hogescholen. Toerisme en hotelmanagement in Qatar trekken momenteel 275 lokale studenten. En dat terwijl ze een collegegeld betalen van vier- tot vijfduizend euro per jaar. ``In Qatar is momenteel een groot tekort aan personeel dat is opgeleid aan een hogere hotelschool. Het toerisme is daar een sterk opkomende sector'', zegt Robert Veenstra van het college van bestuur van de CHN. In Qatar werkt de hogeschool samen met ondernemers in het toerisme. In Zuid-Afrika is de partner eigenaar van een luxe hotelketen en een wildreservaat.

Komend voorjaar ontvangt de eerste lichting Surinaamse bedrijfseconomen het Inholland-diploma. Inmiddels trekken de drie opleidingen samen zo'n 250 studenten. Inholland heeft geen eigen campus zoals de CHN. De opleidingen worden gegeven op de campus van de Anton de Kom Universiteit. Die universiteit zorgt voor de faciliteiten en de docenten. Volgens projectleider Lilian Callender van Inholland is de belangstelling groot. Suriname heeft niet zoveel te bieden als het gaat om economisch onderwijs op hbo-niveau. Daarbij komt dat een Nederlands diploma gewild is in Suriname. ``Ik ben zelf aanwezig geweest op de voorlichtingsbijeenkomsten in Suriname. Daar komen echt honderden mensen op af.'' Het collegegeld van 1500 euro is voor Surinaamse begrippen veel geld en dat schrikt volgens Callender veel belangstellenden af. ``Aan de andere kant sluiten heel wat Surinaamse ouders er graag een lening voor af. Het is tenslotte nog altijd goedkoper dan je zoon of dochter naar Nederland sturen. Dan heb je naast collegegeld ook te maken met reiskosten en met kosten voor huisvesting en onderhoud.''

Centrale Bank Het Surinaamse bedrijfsleven is volgens Callender nauw betrokken bij het economisch hoger onderwijs dat Inholland ter plekke aanbiedt. ``We werken samen met de Centrale Bank van Suriname, de belastingdienst, de rekenkamer van Suriname, de grote accountantskantoren. Ze melden hun medewerkers aan voor een studie bij ons en adviseren ons over bijvoorbeeld de casuïstiek.''

Er is een groeiende behoefte aan buitenlandse diploma's, signaleert de NUFFIC, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in hoger onderwijs. Vooral bij de snelgroeiende middenklasse van opkomende landen in de derde wereld. Zelf hebben die landen de capaciteit niet om grote aantallen studenten op te vangen. ``Er zijn wereldwijd naar schatting twee miljoen mensen die naar het buitenland willen voor hun opleiding. En we verwachten dat het er over vijf jaar vijf tot zeven miljoen zullen zijn'', zegt Han van der Horst van de NUFFIC. ``Veel mensen hebben geen geld voor een langdurig verblijf in het buitenland, maar willen wèl graag een buitenlands diploma. Logisch dat de hogescholen daarop inspringen. Ze reageren op een reële vraag in de markt.''

Kostenpost De activiteiten in het buitenland lopen bij alle hogescholen via de contractpoot, de private tak van de instellingen. Overheidsgeld mag niet in het buitenlands onderwijs worden gestoken. De opleidingen moeten het hebben van de inkomsten uit de collegegelden. En die dekken vaak maar net de kosten, zegt Van Bruggen van Fontys Hogescholen. Een hoge kostenpost zijn de reis- en verblijfkosten van Nederlandse docenten die overzee gastcolleges geven. ``Voor het geld hoef je het niet te doen.'' Lilian Callender van Hogeschool Inholland: ``We houden er wel iets aan over, maar dat zijn reserves voor slechtere tijden.'' Daarentegen is het financiële plaatje van de CHN in Qatar er de afgelopen jaren steeds beter uit gaan zien. ``Wij denken volgend jaar substantiële winst te kunnen boeken'', zegt collegelid Veenstra.

Er is één lastig punt. Wie houdt bij de overzeese opleidingen de onderwijskwaliteit in de gaten? In Nederland doet de Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie (NVAO) dat. Maar die kijkt niet verder dan de Nederlandse en Belgische grens. Callender van Inholland wijst erop dat de opleidingen in Suriname kopieën zijn van die in Nederland en dus in feite indirect worden beoordeeld door de NVAO. ``Onze opleidingen worden in Nederland geaccrediteerd en de aangepaste vorm gaat naar Suriname'', zegt Callender. ``Daarnaast houden we jaarlijks tevredenheidsonderzoeken onder docenten en studenten.'' De CHN maakt gebruik van lokale accreditatiecommissies. Die in Zuid-Afrika is volgens Veenstra van hoog niveau, maar de accreditatie in Qatar behoeft verbetering. ``Daar wordt op dit moment hard aan gewerkt.''

De universiteiten nemen daar geen genoegen mee. De vereniging van universiteiten (VSNU) dringt er bij de overheid op aan de accreditatie overzee te regelen. Want volgens beleidsadviseur David Bohmert van de VSNU willen ook universiteiten graag op exotische plekken campussen starten. Ze verwachten met de verhuizing van westerse productieafdelingen naar landen als India, China en Maleisië een groeiende behoefte aan onderzoeks- en ontwikkelingspersoneel in die landen. Nederlandse universiteiten kunnen een rol spelen bij de opleiding van dat personeel. En hopen daar dan financieel op vooruit te gaan.

Het ministerie van OCW heeft gezegd een en ander te regelen in de nieuwe wet, maar die komt er pas in 2007. ``Veel te laat'', zegt Bohmert. ``Amerika en Australië openen wereldwijd al langer vestigingen voor hoger onderwijs. Als wij tot 2007 wachten, lopen we een enorme achterstand op.