De staat, de stad, zijn last en haar schouders

Taxeren is meer een kunst dan een wetenschap. Die kunst wordt dezer dagen landelijk vertoond door de gemeenten, bij de driejaarlijkse taxatie van de woningen binnen hun grenzen. Doel is de herijking van de onroerendezaakbelasting die gemeenten jaarlijks heffen. Omdat de huizenprijzen ook de afgelopen drie jaar zijn gestegen, zullen de gevonden waarden flink hoger zijn. Temeer omdat de vorige taxatie aan de milde kant was.

Omdat het percentage van de heffing wordt verlaagd, hoort de onroerendezaakbelasting van begin volgend jaar per saldo niet buitensporig hoger uit te vallen dan die van een jaar eerder. Maar helemaal daarop te vertrouwen is voorbarig. De gemeenten zitten financieel nogal omhoog.

De oorzaak is tweeledig. Allereerst moet worden gezegd dat gemeenten misschien wel bezuinigen op hun activiteiten, maar vooralsnog niet op hun personeel. Vorig jaar kromp volgens gegevens van het ministerie van Binnenlandse Zaken het personeelbestand van zowel de rijksoverheid als van de provincies. Bij de gemeentelijke organisaties was daar, met een toename van 3.600 voltijdsbanen, geen sprake van. Hoewel gemeenten slechts eenvijfde van alle overheidsbanen voor hun rekening nemen, tekenden zij voor de helft van de banengroei.

Het neemt niet weg dat de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten op zijn minst merkwaardig is. Laatstgenoemden krijgen er meer taken bij, terwijl daar nauwelijks een grotere bijdrage van het rijk tegenover staat. De onroerendezaakbelasting is veruit de belangrijkste zelfstandige bron van inkomen voor gemeenten. Maar als per 2006 alsnog het zogeheten `gebruikersdeel' van deze belasting wordt geschrapt, komen de verhoudingen extra scheef te liggen. Nederland is onder de moderne westerse landen al een buitenbeentje. Volgens onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling loopt 97 procent van de belastingheffing in Nederland via de centrale overheid, waarmee het de meest gecentraliseerde belastingheffer onder de industrielanden is. Vergelijk dat met België (slechts 72 procent), Duitsland (71 procent) of Zweden (68 procent). De rest gaat daar via gemeentelijke of regionale overheden, die daar ook meer taken mee uitvoeren.

De klacht van Nederlandse gemeenten dat zij wél extra verantwoordelijkheden krijgen maar niet de bijbehorende fiscale autonomie, is in dit licht meer dan begrijpelijk. Verdere erosie van de toch al uiterst smalle zelfstandige financiering van gemeenten, holt bij voorbaat de positie uit van de straks gekozen burgemeester. Het heeft weinig zin de burgervader (of -moeder) democratisch te kiezen als de organisatie waarover deze presideert nauwelijks beschikt over eigen middelen om het beleid te doen uitvoeren.

De onroerendezaakbelasting is niet populair, omdat deze zo zichtbaar is: elke lente valt de heffing nogal confronterend op de deurmat. Maar is het juist niet beter dat de burger ziet wat hij betaalt, in plaats van het veelvoud dat hij ongemerkt aan het rijk afdraagt via de bovenkant van zijn salarisstrookje? Europeanen die in de Verenigde Staten voor het eerst iets afrekenen, zien tot hun verbazing dat het bedrag aan de kassa procenten hoger uitvalt dan op het prijskaartje staat. Het prijsverschil is een weinig subtiele, maar effectieve manier van de winkelier om aan te geven dat de BTW en andere heffingen niet voor zijn bankrekening zijn, maar voor die van de overheid. Dat de burger het maar weet.

In Nederland moet de betreurde kloof tussen burger en overheid volgens het kabinet nauwer worden naarmate meer beleid van de centrale overheid naar de gemeenten wordt overgeheveld. De kloof kan nog verder worden gedicht als dat ook met de financiering gebeurt. Zo ook de onroerendezaakbelasting. Beter een lokale belasting zonder verdoving, dan een Haagse heffing mét.