Ausdauer

Langdurig rennen is een uitzonderlijk gedrag voor een primaat. Alleen de mens kan het, sinds een paar miljoen jaar geleden. Maar de functie is onduidelijk.

LANGDURIG kunnen rennen (duurlopen) is een belangrijke eigenschap van het mensengeslacht Homo, waartoe ook de moderne mensen behoren. Het is een eigenschap die ontbreekt bij alle andere primaten. Deze voor de evolutie van de mens belangrijke conclusie wordt getrokken door Amerikaanse bioloog Dennis Bramble en de antropoloog Daniel Lieberman (Science, 19 nov).

Bramble en Lieberman baseren zich van de lichamelijke aanpassingen aan duurlopen op een analyse bij de moderne mens en zijn directe voorgangers (vooral Homo erectus, die ca. 1,8 miljoen jaar geleden in Afrika ontstond). Rechtoplopen, op twee benen, doen de voorouders van de mens al sinds vijf tot zeven miljoen jaar geleden, sinds de afsplitsing van de chimpanseelijn. Tweebenigheid is zelfs het kenmerk bij uitstek van die voorouderlijke mensenlijn, die waarschijnlijk begint bij Sahelanthropus (ca. 6,5 miljoen jaar oud) en via Australopithecus (ca. 5 tot 2 miljoen jaar geleden) en Kenyanthropus (2,5 miljoen jaar geleden) uitmondt in het geslacht Homo.

De uniekheid van het menselijke rechtoplopen is altijd benadrukt, maar aan het menselijke hardlopen is in het evolutionaire onderzoek nooit veel belang gehecht, waarschijnlijk omdat altijd gekeken werd naar de sprint. Op de korte afstand wordt de mens door de meeste andere zoogdiersoorten voorbijgelopen. Een mens haalt hooguit 10 meter per seconde, gedurende 15 seconden. Een antilope of een hazewindhond haalt 20 meter per seconde, minuten lang.

Maar wat betreft duurlopen langdurig en kilometerslang rennen blijkt de mens wel degelijk heel goed mee te komen met klassieke `rennende dieren', zoals de hond en het paard, een uitzonderlijke eigenschap voor een primaat. De gemiddelde snelheid voor duurloop van zoogdieren (op vier poten, in theorie altijd sneller dan op twee) van 65 kilo is 3 tot 4 meter per seconde. Mensen al naar gelang de getraindheid halen 2 tot 6 meter per seconde. Recreatielopers halen gemakkelijk 3 tot 4 meter per seconde. In galop gaan paarden en honden wel veel harder dan de mens (7 à 8 meter per seconde), maar paarden blijken bij nader inzien galop meestal niet langer dan tien à 15 minuten vol te houden, het gemiddelde over een dag rennen wordt al gauw 5 meter per seconde. Getrainde mensen kunnen paarden op de extreem lange afstand gemakkelijk bijhouden. Een beetje hardloper haalt 20 km, en sommigen halen wel 42,2 km op een dag, of nog meer. Niet gek: het gemiddelde van Afrikaanse wilde honden is 10 km op een dag, wolven halen een gemiddelde van 19 km per dag. Hardlopen kost mensen relatief veel energie, maar gek genoeg is de grafiek van dat energieverbruik relatief plat: iets meer of minder hardlopen kost niet veel minder of meer energie in tegenstelling tot veel van de andere hardloopzoogdieren die een steile U-vormige grafiek hebben, met duidelijke voorkeuren voor snelheden in galop of draf. Een mens is veel flexibeler, aldus Bramble en Lieberman.

Dit is al een opmerkelijke conclusie, maar de bioloog en de antropoloog geven ook aan welke anatomische veranderingen van de mens ten opzichte van zijn voorganger Australopithicus en zijn neef de chimpansee, hem vanaf de voorouder Homo erectus uitmuntend geschikt maken voor duurloop: lange lichaamsvorm, lossere beweging van het hoofd (belangrijk voor stabilisatie) brede schouders, langere benen, langere nekspieren, kortere tenen, langere achillespees, kortere voorarmen (= bij rennen veel energiezuiniger, doordat zwaaien van armen minder zwaar is), de krachtige bilspieren, enzovoorts. Sommige vernieuwingen, zoals de kortere tenen, zijn al terug te vinden bij Homo habilis (ca. 2 miljoen jaar geleden). Ook het zweten een uniek menselijk verschijnsel is erg belangrijk bij duurloop, om af te koelen. De grote hoeveelheid van deze aanpassingen aan lange-afstandlopen sterkt Bramble en Lieberman in de overtuiging dat het vermogen tot duurlopen geen toevallige bijkomstigheid van het rechtoplopen is. Er zijn echt aparte evolutionaire aanpassing voor nodig geweest. Beide onderzoekers opperen dat misschien een gunstige selectiedruk voor duurloop ontstond omdat het erg handig kan zijn bij het aaseten (je bent er eerder dan de concurrenten) en bij de jacht: uit historische tijden is bekend dat aboriginals in Australië kangoeroes vingen door er urenlang achteraan te rennen: uiteindelijk viel de opgejaagde kangoeroe dodelijk vermoeid neer, maar de aboriginal niet.

Bij latere, veel recentere evolutionaire ontwikkelingen, ca. 30.000 jaar geleden, werd hardlopen minder belangrijk. Door de uitvinding van de pijl en boog was het niet meer nodig gevaarlijke prooidieren dicht te naderen om ze te doden. De huidige liefhebberij in hardlopen heeft dus een lange evolutionaire geschiedenis, zo besluiten Bramble en Lieberman hun review en synthese van het beschikbare onderzoek over de hardlopende mens.