Allemaal gelijk

Zorgverzekeraars moeten slimmer inkopen, maatwerk bieden en concurreren. De burger zal beter en goedkoper uit zijn. Maar past zorg in het plaatje van vraag en aanbod?

In 2006 is het ziekenfonds verdwenen. Iedereen die in Nederland woont bepaalt dan zelf welke zorgverzekering hij wil en betaalt daarvoor een door zijn zorgverzekeraar vastgestelde nominale premie. Via de werkgever draagt ook hij nog een inkomensafhankelijke bijdrage voor de financiering van het zorgstelsel af aan de belastingdienst. Om al te grote inkomensdalingen die daarvan het gevolg kunnen zijn te compenseren, krijgen naar schatting 6,1 miljoen Nederlanders maandelijks door diezelfde belastingdienst een `zorgtoeslag' uitgekeerd.

Zo staat het tenminste in het wetsvoorstel voor de Zorgverzekeringswet, die minister Hoogervorst (Volksgezondheid) in september naar de Tweede Kamer stuurde. Het wetsvoorstel is het voorlopige eindpunt van jaren discussie over het zorgstelsel. Als het parlement instemt met het voorstel (de behandeling in de Tweede Kamer vindt naar verwachting begin volgend jaar plaats), zal de zorg van een door de overheid gereguleerde sector veranderen in een markt met `gereguleerde concurrentie'. Daarin spelen zorgverzekeraars, als het aan Hoogervorst ligt, een centrale rol.

Zorgverzekeraars moeten door slimme inkoop van zorg en het aanbieden van klantgerichte polissen met elkaar gaan concurreren. De scherpe inkoop zal voornamelijk betrekking hebben op `planbare zorg'. Dat betreft ingrepen die te voorspellen zijn en in grote aantallen plaatsvinden, zoals staaroperaties, heupoperaties of zorg voor veel voorkomende chronische ziekten zoals diabetes, astma en reuma. Lukt het de verzekeraar voor meerdere van dit soort ingrepen scherpe prijzen te bedingen, dan brengt hij zijn kosten omlaag. Dat kan leiden tot lagere premies (en dus meer klanten) of grotere winsten (namelijk het verschil tussen premies en kosten).

Maar niet alleen lage premies moeten de klanten aantrekken. De bedoeling is dat verzekeraars veel meer polissen `op maat' gaan aanbieden. De Nederlandse burger moet de handelsgeest bij zorgverzekeraars stimuleren door actief op zoek te gaan naar wat voor hem de beste verzekering is. Dat kan natuurlijk het goedkoopste, van iedere begeleiding en service gestripte basispakket zijn voor iemand die jong en nooit ziek is.

Maar de Nederlander die zich wat meer zorgen maakt over zijn gezondheid, omdat hij ouder is of misschien chronisch ziek, zal, zo hoopt de overheid, eerder kiezen voor een wat duurdere maar `completere' verzekering. Iedereen is verplicht zich voor een identiek basispakket te verzekeren, maar door variatie in aanvullende polissen en door een keuze tussen zorg-in-natura (in ziekenhuizen waar de verzekeraar speciale afspraken mee heeft gemaakt) of alleen vergoeding van ingediende nota's (de oude werkwijze van ziektekostenverzekeraars) kunnen grote verschillen in polissen ontstaan.

Om een zorgverzekering voor iedereen binnen bereik te houden zijn zorgverzekeraars wel aan twee belangrijke beperkingen onderhevig. Risicoselectie en premiedifferentiatie, veelgebruikte technieken in de verzekeringsbranche, zijn verboden.

Allereerst premiedifferentiatie: Wie in een grote stad woont betaalt meer premie voor een inboedelverzekering dan iemand die op het platteland woont. Zo gaat dat bij de meeste verzekeringen: de hoogte van de premie is afhankelijk van het risico dat de verzekeraar moet uitbetaling. Dan risicoselectie: In de dagen na 11 september 2001 konden vliegtuigmaatschappijen hun vliegtuigen niet verzekereren. Verzekeraars wilden het risico gewoon niet nemen.

Zorgverzekeraars mogen niemand weigeren: ze hebben een acceptatieplicht. Alle verzekeraars moeten in ieder geval de zogenoemde basisverzekering aanbieden, waarvan het ministerie de samenstelling bepaalt. Deze zal grofweg dezelfde behandelingen en medicijnen vergoeden als het huidige ziekenfondspakket. En zorgverzekeraars moeten al hun polissen voor dezelfde prijs aan iedereen aanbieden. Een kettingroker hoeft dus bijvoorbeeld niet meer premie te betalen voor dezelfde polis dan iemand die zich keurig aan alle voedingsadviezen van het Voedingscentrum houdt.

Naast de toegankelijkheid van de zorg, kent het wetsvoorstel ook bepalingen die de solidariteit in het zorgstelsel moeten garanderen. Verzekerden zijn solidair doordat ze allereerst verplicht verzekerd zijn. Iedereen moet meedoen. Daarnaast betaalt iedereen naast een nominale premie een inkomensafhankelijke bijdrage (de werkgever draagt dat bedrag af); rijken betalen meer dan armen.

Ook de zorgtoeslag draagt bij aan de solidariteit: burgers die meer dan een bepaald percentage van hun inkomen kwijt zijn aan verzekeringspremies, krijgen om dat te compenseren maandelijks een inkomensafhankelijke toeslag van de Belastingsdienst, vergelijkbaar met de huursubsidie. Dat is vooral heel belangrijk voor de huidige ziekenfondsverzekerden die hun nominale premies volgens een schatting van het ministerie van Volksgezondheid tot 1.030 euro per jaar zien stijgen. Dat is ongeveer drie keer zoveel als de huidige nominale ziekenfondspremie.

Dan is er nog een `vereveningsbijdrage' van de overheid om het verzekeren van bijvoorbeeld chronisch zieken voor verzekeringsmaatschappijen aantrekkelijk te houden. Met deze bijdrage compenseert de overheid verzekeraars die een meer dan gemiddeld aantal mensen met een ,,slecht verzekeringsrisico'' in hun bestand hebben.

De overheid gebruikt daarvoor een rekenmodel dat aan de hand van patiëntgegevens als bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, woonplaats, medicijngebruik en ziekenhuisopnamen in het verleden, bepaalt of het klantenbestand van een verzekeraar bovengemiddeld `ongezond' is. Om verzekeraars te prikkelen zuinig te werken, gaat het om compensatie vooraf.

Voor veel zorgverzekeraars zal het nieuwe stelsel een grote omslag betekenen. Particuliere verzekeraars zijn nu nog vaak niet meer dan een soort veredelde administrateur van hun verzekerden: die kiezen, als zij zich niet goed voelen, iemand om hen beter te maken. Die `zorgverlener' bepaalt weer hoeveel dat kost en de verzekeraar doet weinig meer dan de gepresenteerde rekening betalen.

Maar als verzekeraars actief op zoek moeten naar concurrentievoordeel, zullen zij veel meer zorginhoudelijke kennis in huis moeten halen, om goede zorg goedkoop in de kopen: waar zitten de goedgeorganiseerde oogklinieken, welke ziekenhuizen zijn het best in het uitvoeren van heupoperaties?

Enkele verzekeraars zijn door dat vooruitzicht al uit de markt gestapt. Zo droeg bijvoorbeeld verzekeraar Allianz in juni zijn zorgverzekeringen over aan zorgverzekeraar ONVZ.

Oncontroversieel is het wetsvoorstel zeker niet. Een deel van de zorgwereld en de politiek heeft stevige kritiek op het wetsvoorstel, vooral omdat marktwerking binnen de zorg niet zou werken: zorg is geen product waar je voor kiest, zeggen critici, dus krijg je nooit gezonde marktwerking.

Daarnaast is er een grote schaarste aan zorgverleners, waardoor de prijzen, zo vrezen critici, alleen maar zullen stijgen.

Ook de Raad van State, het hoogste adviescollege van de regering, heeft twijfels geuit over het wetsvoorstel. De Raad vreest dat van de gewenste marktwerking niets terecht komt, en dat die beperkt blijft tot ,,bureaucratisch gestimuleerde marktwerking.''

Maar als de minister zijn zin krijgt, en zijn voorspellingen komen uit, dan wacht de zorgsector een mooie toekomst. Wachtlijsten, patiëntonvriendelijke artsen en specialisten, een ondoorzichtig aanbod van particuliere ziektekostenverzekeringen – waardoor kiezen meer een gok dan een weloverwogen besluit is –, almaar stijgende ziektekosten, ouderwetse medische technieken: in het nieuwe stelsel zou dat allemaal tot het verleden gaan behoren.