Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Ik haal de oude tante met de Jaguar, want ze is dol op snelle auto's. De voordeur van haar appartement is afgesloten met vijf verschillende sloten. Ze draagt een spijkerbroek. Zsazsa-neni is bijna negentig maar ziet er uit als 65. Ze moet een schoonheid zijn geweest. Sinds tien jaar is zij terug in Hongarije. Zij werd geboren in het oude Hongarije. Bij Dombovar had haar familie een stoeterij, die zo befaamd was dat zelfs de tsaar van Rusland er paarden kwam kopen.

Na de Tweede Wereldoorlog is Zsazsa-neni naar de Verenigde Staten gevlucht met een Italiaans paspoort dat zij van de Italiaanse ambassadeur had gekregen. In Amerika is zij getrouwd met de Hongaar die de Heilige Rechter Hand van Istvan (of Stefan) naar Hongarije heeft teruggebracht. Samen met de Stefanskroon is dit relikwie het heiligste en symbolisch belangrijkste bezit van de natie Hongarije. De eeuwenoude hand was in de oorlog verborgen in een Oostenrijkse mijn, buiten het bereik van nazi's en sovjets.

Stefan was Hongarijes eerst gekroonde koning. Onder hem bekeerde het Hongaarse volk zich tot het christendom. Hij stierf in 1038 en werd later heilig verklaard. Zijn kroon, een cadeau van Paus Sylvester II, met het naar links hellende kruis in top, is het wapen van Hongarije. Ook de kroon werd het land uitgesmokkeld. Een Hongaarse generaal overhandigde hem in een zwarte plastic tas aan de Amerikanen. Die bewaarden het ding in Fort Knox. President Jimmy Carter gaf hem in 1978 terug, als beloning voor de relatief goede mensenrechtensituatie in Hongarije.

,,Veel mensen waren er tegen dat de Stefanskroon terugkeerde naar communistisch Hongarije'', zegt Zsazsa-neni. ,,Maar ik was ervoor. Ik wist dat de kroon zijn heilzame werk zou doen. En je ziet het: de heilige kroon heeft het communisme overwonnen.''

We rijden met het rode monster door de tunnel onder de burcht door, over de kettingbrug. In de diepe stoel naast me gezeten vertelt Zsazsa-neni vol liefde, in kleuren en geuren, alsof de verovering gister plaatshad, hoe ze haar man heeft veroverd. Heel Boedapest wilde hem. Hij was officier in het Amerikaanse leger. Aan het eind van de oorlog stuitte hij in Oostenrijk op de Heilige Rechter Hand en vroeg zijn generaal toestemming het naar Hongarije terug te brengen. De generaal vond het best, alleen moest hij vier officieren meenemen om de hand naar Boedapest te vergezellen. De Heilige Rechter Hand zei de Amerikaanse generaal niks, maar hij wilde toch niet dat-ie zoek raakte.

We gaan door de Bathory ut, slaan rechtsaf de Bajcsy-Zsilinszky ut op. We naderen de Stefans Basiliek van de achterzijde. Zsazsa-neni is zichtbaar in haar nopjes dat de kluisdeur van het rode monster voor haar wordt opengehouden. De Stefans basiliek is gebouwd op de plek waar in vroegere tijden als volksvermaak gevechten tussen beren en wolven werden georganiseerd. Zij gaat kwiek de trappen op naar de hoofdingang.

Het is het einde van de middag. Het is sluitingstijd. We duwen de grote deur open. We komen in een voorhal. Een strenge dame staat bij de volgende deur iedereen eruit te bonjouren. Zsazsa-neni zegt enkele woorden tegen haar en we worden doorgelaten, de immense basiliek in. Zsazsa-neni kijkt achter altaren, tuurt in afgelegen hoeken en nissen, als een alcoholist op zoek naar een fles sterke drank.

We gaan een hermetische deur door en nog een, door een verlaten gang. Zsazsa-neni kent de weg in het voor het publiek gesloten deel van de basiliek. Met ferme tred gaat ze een grote ruimte in die mij, te oordelen naar de alom hangende gewaden, de kleedkamer van de prelaten lijkt. Ik vrees dadelijk in de armen van een naakte kardinaal te lopen en zeg Zsazsa-neni dat ik niet tegen iedere prijs de overgebleven hand hoef te zien. Maar ze is niet te stoppen. Zij opent alweer een volgende loodzware deur. We treden een zaaltje binnen waar een klein gezelschap zit te bidden. Het geheime kloppende hart van de kerk. Er heerst een devote stilte met slechts zacht geprevel, als een bergbeek in de verte.

,,Ah, daar is ie!'', zegt Zsazsa-neni luid en triomfantelijk. Tegen de muur staat de barokke gouden kist die ik herken van de foto's. Er is een hekwerk omheen gebouwd zodat men niet te dicht bij de gouden kist, die op een kathedraal zonder toren lijkt, kan komen.

,,Het licht moet aan''', zegt ze. Ik zie dat er een apparaat met een gleuf is waar honderd forint in geduwd kan worden zodat het licht in de gouden kist gaat branden, maar er zit een metalen klepje voor met slot, als een middeleeuwse kuisheidsgordel. Zsazsa-neni roept er iemand bij. Ik probeer ondertussen de kuisheidsgordel opzij te wrikken. Ik hoor Zsazsa-neni alweer luid zeggen, zoals een paar keer eerder die middag, dat haar man de hand terug naar Hongarije heeft gebracht: ,,De bisschop heeft me gezegd dat ik te allen tijde de hand kan komen bekijken.''

De dame haast zich. Zij gaat de deur door. Ik voel naar een 100 forint stuk in mijn broekzak. Dan floept ineens het licht aan. Een zwart handje is waar te nemen in het warme gele licht. Het ziet eruit als de vragende hand van een klein aapje. Ik kijk naast me, zie de intense blik van Zsazsa-neni en besef dat zij, door dat verschrompelde stuk huid in die gouden kooi, voor een moment weer bij haar man is.