48 uur in Libreville

Job Slok belandt in de hoofdstad van Gabon, het land met de hoogste champagneconsumptie ter wereld, maar zonder herentoiletten.

WAAROM GAAN?

Libreville is geen stad om in je reisschema in te plannen. Maar mocht je er toch belanden, dan kan het aangenaam toeven zijn in de hoofdstad van het Afrikaanse Gabon.

Gabon is het land met de hoogste champagneconsumptie per hoofd van de bevolking ter wereld. Dat klinkt decadent, zeker voor een land in Afrika, en dat is het ook. De Hypermarché in winkelcentrum Mbolo bijvoorbeeld. Het complex telt zeker veertig vierkante meter vak vol met champagne, en op de groenteafdeling liggen bloemkool en struikjes witlof à twaalf euro per kilo.

De winkel doet niet onder voor een Hypermarché in Frankrijk – je kunt er zelfs met visa betalen. De rijen voor de kassa vormen het enige verschil; die zijn er namelijk niet. De bewakers met shotguns in de aanslag zul je trouwens in Frankrijk ook niet aantreffen.

Er ligt geen product dat uit het land zelf komt, alles is ingevoerd. Olie heeft Gabon, het Koeweit van Afrika, in de jaren zeventig en tachtig heel snel heel makkelijk rijk gemaakt en de economie is nog steeds volledig afhankelijk van het zwarte goud. De voorraden raken op, de economie krimpt, maar de overheid blijft uitgeven: aan ambtenarensalarissen, aan nieuwe overheidsgebouwen en aan Toyota Landcruisers. Zo'n beetje elke derde auto in het straatbeeld van Libreville is een Landcruiser, de eerste is een willekeurige andere auto en de tweede is een taxi.

SERVICE, WELKE SERVICE?

De bezoeker verplaatst zich per taxi. Voor anderhalve euro rijden de wagens de hele stad door. De enige reisgids over Gabon, de Bradt, meldt dat de chauffeurs ,,relatief aardig'' zijn, en bereid tot een praatje. Dat klopt: ze zijn net niet onbeschoft. En al moet je de woorden uit hen trekken, dat is nog altijd beter dan het overige dienstverlenend personeel.

Of het nu in een restaurant is, in het hotel of in een nachtclub, de gast wordt behandeld als een hond. Dat is trouwens niet persoonlijk bedoeld, want zo gaan Gabonezen ook met elkaar om. Ze blaffen elkaar af, commanderen en als ze geen zin hebben om op een vraag te antwoorden, doen ze dat niet. Wen eraan, en laat je verrassen door de uitzonderingen die er zeker ook zijn.

Tropicana is het hotel waar je wilt overnachten. Het is niet duur en het ligt aan het strand. Met de zeebries scheelt dat al gauw een graad of vijf met de immer broeierig hete stad. Bovendien is het een prima plek om een paar dagen bij te komen van de vermoeienissen van de jungle. Er zijn strandbedjes en de kamermeisjes doen de was. Verder hebben ze een prima kok en draaien ze regelmatig een heel aangenaam cd'tje: Ballades Africaines.

Een ander voordeel is de strategische ligging. Het hotel ligt vlakbij de luchthaven en tussen een Franse legerbasis en de kazerne van de Gabonese paratroopers ingeklemd. En dat is een veilig gevoel in een regio als deze.

WAT TE ETEN?

Voor het diner zijn er verschillende opties. Voor de lokale hap is Avenue Jean Paul II de hit. Dit is het andere Libreville. Een rij kraampjes met plastic stoeltjes en een barbecue waar ze brochettes verkopen. De keuze is beperkt: een spies met vlees of een spies met vis, met in slaolie gekookte rijst. Met een beetje geluk valt de stroom uit, en daarmee ook de loeiharde muziek uit overgestuurde installaties. Gebeurt dat niet, vraag dan gewoon of het wat zachter kan.

Herentoiletten hebben ze niet in Gabon. Iedereen plast op het trottoir. Op Avenue Jean Paul II betekent dat van je stoeltje opstaan, de straat oversteken en het braakliggende veldje bewateren. Leuk vertier tijdens het plassen: raak een rat.

Als je net uit de jungle komt en dagen op maniok hebt geleefd, is er niets zo lekker als een pizza bij La Dolce Vita. Het is even schrikken als de taxi het duistere, van visgeuren vergeven haventerrein van Port Mole oprijdt, maar eenmaal binnen lacht het zoete leven je toe. Neem plaats op het overdekte terras dat boven het water is gebouwd en luister naar het klotsende water onder je billen.

WAT TE ZIEN?

Port Mole is ook een aanrader voor overdag. Hier komen zowel de Chinese trawlers met hun haaienvinnen op het voordek binnen, als de passagiersschepen. De komst van deze `luxe villa's op het water' wordt aangekondigd op stencils die op de muren van de havenwinkeltjes zijn geplakt. ,,Meer dan tweehonderd plaatsen aan boord met airconditioning en tv'', staat op een van de aankondigingen te lezen. Maar kijk je goed naar het plaatje, dan blijkt dat met die plaatsen geen kooien of ligstoelen worden bedoeld, maar plastic stoeltjes die dicht opeengepakt in een zaaltje staan voor een slaapkamer-tv'tje. Passagiers betalen nog geen veertig euro voor de ruim duizend kilometer lange zeereis naar Togo.

Mont Bouëtt is de markt. Het is de grootste van Libreville en de enige die je als buitenlander zonder veel problemen kunt bezoeken. Het labyrint aan gangen en kraampjes doet trouwens meer denken aan een Arabische souk dan aan een Afrikaanse markt. Opvallende afwezige is de levende have. Geen levende geit of kip te bekennen op de hele markt. Dat komt omdat Gabon nauwelijks aan veeteelt doet. Het vlees dat er ligt, komt uit het buitenland.

Een fetisjwinkeltje aan de rand van de markt brengt ons helemaal terug in donker Afrika. Naast onschuldige poedertjes en zalfjes, verkopen ze hier gruwelijkheden als kattenhuiden, apenlichamen zonder kop en verdroogde chimpansee-handjes.

Heb je nog een kwartiertje over, ga dan naar het Nationaal Museum, in het Elf-gebouw. Deze oliemaatschappij heeft in de jaren zeventig twee ruimtes beschikbaar gesteld voor het museum. Die zijn volgestouwd met inheemse muziekinstrumenten, oude foto's en enkele pijlpunten. Vervolgens is er niet meer naar omgekeken. Aan de buitenkant hangen de goten half van het dak en binnen heeft de vochtige, zilte hitte vrij spel, omdat de deuren wagenwijd openstaan. De laatste bezoeker is een week eerder geweest, zo blijkt uit het gastenboek.